Taxi-Driver

100_0358_editedIk had al een aantal keer in de goot gelegen, maar wonderwel wist ik steeds de scherven weer bij elkaar te rapen en mezelf weer op de rails te krijgen. Ik was nu zelfs zo ver dat ik de alcohol uit mijn leven gebannen had. De drank had als een hedendaagse Zwarte Dood huisgehouden in mijn familie en ik wist dus dat ik genetisch belast was en dat het alles – de volledige ondergang- of niets was. Ik koos voor het leven.

Ondanks dat de arbeidsdeskundige van mijn uitkeringsinstantie er fel op tegen was, vond ik dat ik weer aan het werk moest. In het verleden had ik als chauffeur en kok als vrijwilliger vakanties van verstandelijk gehandicapten begeleid en dat had ik leuk gevonden. Professioneel kok was ik al geweest, wat was ik niet geweest? Van portier tot badmeester tot crisismanager tot hulpverlener tot geitenkaasmaker, you name it, ik had het gedaan. Chauffeur dus. Met diploma.

De theoretische kant van de zaak was geen probleem, maar de praktijk was anders, als ik slecht sliep –en wanneer sliep ik niet slecht?- had ik problemen met mijn concentratie. Het praktijkexamen diende afgelegd worden door een route te rijden die een Tom-Tom aangaf, maar ik kende de stad goed, dus luisterde helemaal niet naar dat ding. Ik was me er niet eens bewust van. De examinator was not amused, maar ik redde me eruit door een vaag verhaal op te hangen dat ik bewust brandstof bespaarde voor het milieu met een kortere weg en dat deze kortere route geld bespaarde voor mijn werkgever. Hij trapte erin.

Ik kreeg een contract bij een taxibedrijf dat diverse vaste routes had om kinderen met een beperking te vervoeren. Ook was er een route waarbij personeelsleden van een grote uitgeverij van het station naar een gebouw op een bedrijventerrein gereden moesten worden. En voor het eerst van mijn leven droeg ik een uniform. Voor het eerst in mijn leven droeg ik een stropdas. Voor het eerst in mijn leven moest ik me iedere dag scheren. Maar ik wilde die baan. Door het rijden van die routes, verspreid over een dag, had ik immers genoeg tijd om te werken aan de grote roman die ik nog in me had. Daar was ik toentertijd heilig van overtuigd. Twee misrekeningen voor de prijs van één. Die grote roman heb ik inmiddels zo mijn twijfels over en omdat ik ’s ochtends om vijf uur moest opstaan was ik de rest van de dag zo moe dat ik tot niets anders dan dutten op de bank kwam.

Mijn nieuwe collega’s waren een samengeraapt zootje van gepensioneerden die wilden bijverdienen, sociaal gemankeerden en mensen die niet in een normaal arbeidsproces pasten, zoals ik. Er was een strenge hiërarchie in de kantine, de oude hap zat bij elkaar, de eerste ring, de mannen van de Mercedessen zaten bij elkaar, de tweede ring, de gepensioneerden zaten bij elkaar, de derde ring, de afgekeurden met een bijbaan, de vierde, en ik zat bij de nieuwelingen, de laatste poort van de hel.

Bij de oude hap zat een giftig kereltje van een jaar of zeventig met een grote snor die volgens eigen zeggen bij het Vreemdelingenlegioen had gezeten. Hij was zeer aanwezig en had altijd het hoogste woord, waardoor ik dacht dat hij vooral achter een bureau had gezeten. In mijn werk met vluchtelingen was ik verschillende mannen tegengekomen die actief aan het front hadden gezeten en die gedroegen zich heel anders. Die mannen zorgden juist dat ze niet opvielen. Ze hadden altijd een schuchtere oplettendheid over zich en als ze een ruimte betraden scanden ze die snel en zorgden ervoor dat ze zo zaten dat er zo weinig mogelijk achter hen gebeurde. Ik had terstond een hekel aan de vermeende Legionair en ook aan zijn tafelgenoten trouwens, die allemaal eenzelfde soort snor hadden en de man op handen leken te dragen.

Mijn eerste rit was met werknemers van de uitgeverij. Toen één van mijn passagiers mijn naambordje zag vroeg hij of ik vroeger in een New-Waveband had gespeeld. Ik antwoordde bevestigend en ik zag het hem denken: wat ben jij diep gezakt. Maar hij sprak het niet uit en wellicht was het mijn eigen gedachte. Ik kon mijn eigen gevoelens van onbehagen niet echt plaatsen. Misschien kwam het van het slaapgebrek, want ik sliep nog steeds erg slecht, had vaak nachtmerries en het iedere ochtend vroeg opstaan putte me behoorlijk uit.

Het rijden met kinderen was veel minder leuk dan de vakanties met de verstandelijk gehandicapte volwassenen. Gestoorde en beschadigde kinderen zijn niet leuk, die zijn vooral confronterend en moeilijk. Nu had ik mijn postuur en stemvolume wel mee, dus had ik een redelijke mate van orde in mijn bus, maar ik zag collega’s enorm worstelen en ook lijden onder het gedrag van de kinderen die ze vervoerden. Een jongetje vroeg mij eens: ‘Chauffeur, wat gebeurt er als ik je in je bek spuug?’ Ik antwoordde zo rustig mogelijk: ‘Dan ram ik je met je bek door het dashboard.’ Probleem opgelost, maar leuk was anders en je moest er maar tegen kunnen.

Ik had een verstandelijk beperkt en zwaar autistisch meisje van Turkse afkomst in de bus en de eerst keer dat ik haar van huis haalde kreeg ik een lijst met instructies mee van haar moeder. De familie woonde in een prachtig huis op een prachtige plek, er stond een dure BMW voor de deur en de moeder was een beeldschone vrouw. Maar deze mensen woonden in dezelfde gevangenis als hun kind, want als er van de routine afgeweken werd, bij de geringste verandering, ging het kind volledig door het lint en vernielde alles in haar omgeving. Bovendien verwondde ze iedereen om haar heen en zichzelf. Ze moest in de bus dus op een vaste plek vastgezet worden. De arme ouders zaten in een levenslange gevangenis, want dit kind had tot haar dood verzorging nodig en wat als de ouders dat niet meer konden opbrengen? De verantwoordelijkheid over deze kinderen drukte zwaar op me. Als ik de uitgeversroute mocht rijden of een keer heen en weer met passagiers naar Schiphol voelde dat als een uitstapje.

Ik had altijd van autorijden gehouden, in mijn jaren bij Vluchtelingenwerk had ik duizenden kilometers gereden, maar rijden in een stad die geregeld een verkeersinfarct had, was andere koek. Soms was het uren achtereen kruipen, gas geven, remmen, stoppen, gas geven, tien meter opschuiven, remmen…het was dodelijk vermoeiend. Daarnaast vonden de mannen met de snorren mij niet aardig om dat ik hen openlijk bespotte en mij niet aan de hiërarchie hield. Niemand vertelt mij waar ik mag zitten en waar niet. En omdat ik de conventies schond gingen anderen dat ook doen. De legionair sprak me erop aan en ik vroeg hem wat hij er aan wilde doen, zijn legionairstypemachine extra laten ratelen? Dat was in de roos. Hij werd vuurrood, draaide zich om en sprak nooit weer een woord tegen me.

Al mijn stoerheid ten spijt werd het mij allengs steeds duidelijker dat ik ook deze baan niet vol zou houden. Het was als altijd: ik stortte me er volledig in, gaf me helemaal, lag ’s nachts te malen, kon niet stoppen met bedenken hoe alles moest, sliep niet meer en knapte tenslotte af. Dit keer liet ik het niet zo ver komen; toen ik erachter kwam dat ik er in inkomen juist op achteruit ging als ik werkte, had ik een goed excuus om te stoppen. Ik had het precies drie maanden volgehouden, was doodmoe, maar viel niet terug in mijn oude zuipgedrag.

Die roman heb ik echter nog steeds niet af.

© Lammert Voos

Advertenties

Het gat in de deur

Het was begonnen met opschepperij. Lennart had tegen Wilson gezegd dat hij best door een deur heen zou kunnen slaan en die had daar honend op gereageerd. Dus sloeg hij zo hard als hij kon tegen die deur en, inderdaad, er zat een gat in. Wilson dacht dat hij dat ook wel kon en toen was het gat nog groter.

Lennart en Wilson zaten op dezelfde middelbare school, maar omdat Lennart was blijven zitten zat hij een klas lager. Ze hadden niet op dezelfde lagere school gezeten, want Wilson was eigenlijk Christelijk. Maar ze hadden elkaar snel gevonden toen ze eenmaal op die openbare middelbare school zaten. Lennart was dik, maar langer dan zijn leeftijdgenoten. Wilson was nog langer, maar had rood haar.

Wilson had een gitaar en speelde Lennart liedjes van Lou Reed en Neil Young voor en hoewel hij vond dat het best houterig klonk, vond Lennart dat toch machtig interessant. Hij wilde dat zelf ook wel, maar iedereen zei dat hij motorisch gestoord was, dus liet hij het maar zitten.

Lennart zijn vader was woest op hem om dat gat in de deur, maar dat gaf niet, zijn vader was bijna altijd kwaad. Zeker sinds zijn moeder weg was. Bovendien was zijn vader er nooit, want hij had binnen een week al een nieuwe vriendin. Toch schold pa nog steeds op zijn moeder. Lennart kon daar niet zo goed tegen, dus was hij blij dat zijn vader meestal weg was, ook ’s nachts.

Ze woonden aan het water en Lennart zat vaak aan de achtertafel te kijken hoe de binnenvaartschepen voorbij gleden.  Vroeger woonden ze hier met zijn vieren: pa en ma en Lennart en zijn oudere broer. Ze hadden in het kanaal gevist en gezwommen en ze hadden erop geschaatst. Nu woonde Lennart daar min of meer alleen en had hij geen zin meer in zwemmen, vissen en schaatsen. Eigenlijk had hij alleen nog zin in gaten in deuren slaan of mensen op hun gezicht, maar dat laatste deed hij niet, want hij wist dat mensen slaan niet deugde.

Wilson zijn ouders waren ook gescheiden. Wilson zijn echte moeder zat in het gekkenhuis, maar hij had wel een stiefmoeder en ook nog een broertje en halfzusje. Wilson had ook zin om mensen te slaan, maar deed dat ook niet. Zijn stiefmoeder had altijd te veel make-up op en het leek wel of die scheef zat en ze droeg bloesjes waar haar tieten uitpuilden. Die tieten waren wel interessant, ondanks de blauwe aderen erop, maar verder vond Lennart het maar een lelijk mens.

Hoewel ze eigenlijk nog niet oud genoeg waren gingen Lennart en Wilson geregeld de kroeg in, er was toch niemand om hen tegen te houden. Bij Lennart letterlijk en bij Wilson scheen niemand het iets te kunnen schelen.

Overdag ging Lennart naar school, maar steeds minder, het boeide hem niet, en hij peuterde aan de randen van het gat in de deur en langzaam maar zeker werd dat groter. De schepen bleven voorbij glijden. Lennart hoorde ze niet, want hij had nooit zin om een raam te openen. Hij deed haast niets meer, at alleen voorverpakte hamburgers of chinees. Boodschappen doen deed hij zo weinig mogelijk en lege flessen leverde niet meer in. Er waren dagen dat hij zijn bed niet meer uitkwam. Hij peuterde wel regelmatig aan het gat in de deur. Alleen Wilson kwam nog weleens langs en heel enkel zijn vader die hij dan op zijn schuldgevoel werkte en geld aftroggelde.

Op een middag ging hij naar Wilson zijn huis. Die speelde gitaar voor hem, zodat hij een prop in zijn keel kreeg die niet meer weg wilde. Zonder dat hij het wilde zat Lennart te huilen. Of het toeval was of niet, Wilson zijn stiefmoeder vroeg of Lennart bleef eten en dat wilde hij wel, want hij zag er verschrikkelijk tegenop om naar huis te moeten. Wilson was er niet blij mee, maar Lennart bleef toch.

De stiefmoeder sneed het vlees en iedereen kreeg een piepklein stukje. Ze vertelde onsamenhangende verhalen en Wilson zijn vader, broertje en halfzuster keken zwijgend naar hun bord. Wilson keek naar buiten en zweeg ook. De stiefmoeder zat steeds haar tieten onhoog te duwen en zonder aanleiding barstte ze nu en dan onbeheerst in lachen uit. Ze stonk. Tipte haar sigaret af in het eten dat op haar bord lag en nam daarna nog een hap. Lennart schoof zijn stoel weg en liep gauw naar buiten, pakte zijn fiets en vluchtte het tuinhek uit. Achter zich hoorde hij Wilson schreeuwen.

Wilson kwam hem daarna niet meer opzoeken en Lennart ging zelf ook niet meer naar Wilsons huis. Als ze elkaar ergens tegenkwamen knikten ze naar elkaar, maar zonder elkaar aan te kijken. Lennart miste Wilson vreselijk, maar hij wist dat het nooit meer goed zou komen. Hij begon nog verwoeder aan de randen van het gat te peuteren. Hij keek niet meer naar die kutboten. Hij zat niet meer aan die kuttafel, luisterde niet meer naar die kutvader en hoefde zijn kutgeld ook niet meer.

De lege flessen puilden uit de kast onder de trap, de vuile vaat stond een meter hoog opgestapeld op het aanrecht. Het rook naar schimmel, wiet en wanhoop in het huis. Toen pa Lennart maande om eens schoon te maken beet deze hem toe dat hij zijn huishoudster niet was. Hij zag daarna zijn vader soms weken achtereen niet.

Lennart bleef verwoed peuteren aan het gat en op een dag was dat groot genoeg om doorheen te stappen. Dat deed Lennart en hij ging daadwerkelijk mensen op hun gezicht slaan, gewoon, omdat het kon.

© Lammert Voos

0efd26f8-434a-497e-9825-743a7dea451b

Tagebuch 31-10-2018 (slot)

Een verandering komt nooit alleen. Er schijnt een spreekwoord te zijn dat net even anders luidt, maar daar weet ik verder niets van. We hebben die verandering ingezet door vorig jaar het keurige dorp vol keurige mensen aan de rand van de keurige Veluwe te verlaten en naar Noord-Groningen, mijn geboortegrond, te gaan. Hier zijn ook wel minder keurige mensen en heb je sowieso meer gemêleerd volk. De huizen zijn betaalbaar, het uitzicht weids en het wad nabij en dat trekt een bepaald soort volk naar deze streken, doorgaans mensen met een open blik. De mensen die hier van oudsher wonen zijn tamelijk rechtstreeks en houden er een droog soort humor op na en dat ligt me wel. De combinatie van dit soort volk maakt mijn huidige dorp Vierhuizen een verademing vergeleken bij het vorige, Welsum. Sprak ik daar bijna nooit iemand, is een praatje met deze en gene hier dagelijkse kost.

Ik heb er vrienden bij gekregen, hier in het dorp en ook in stad Groningen. Daarnaast ben ik er fysiek enorm op vooruit gegaan. Toen we hier kwamen liep ik nog op krukken, was ik moedeloos van alle gewrichtsontstekingen, maar inmiddels zie ik terugkijkend dat ik een aantal fysiek zware klussen heb gedaan. Ik heb gesloopt en gebouwd, ik heb zelfs een aantal bomen omgezaagd. (Sorry Idéfix)

Gister kreeg ik een mail van mijn Groningse uitgever dat mijn Groningstalige bundel Mien Zinloze Aanwezeghaid verramsjt gaat worden. Dat was de laatste dichtbundel van mij die nog in de handel was. Geweldige titel eigenlijk. Een aantal maanden geleden stopte Ton van ’t Hof om voor mij begrijpelijke redenen met uitgeverij Stanza en dat betekende dat Rigor ook al niet meer verkrijgbaar is. Oudere bundels waren uitgebracht bij het lang geleden ter ziele gegane Contrabas, dus ook al niet meer verkrijgbaar.

9200000002618909

Dit klinkt misschien raar, maar ik vind het niet zo erg. Het was nooit mijn ambitie om dichter te worden, ik rolde er via het tekstschrijven voor mijn band vanzelf in. Ik heb er met minimale inzet het maximale uitgehaald. Want net als vroeger met de muziek heb ik een broertje dood aan het hysterische gedoe om alles heen. Nadat ik een jaar poëzieles gaf aan de schrijversvakschool van Groningen was de lol er ook wel wat vanaf; ik vond mijn eigen werk tamelijk middelmatig. Dat ik het nog zo ver geschopt heb is eigenlijk best bijzonder. Vele goede recensies, mooie optredens op festivals en ik heb er een paar goede vrienden aan overgehouden. U hoort mij niet erger klagen dan anders.

Dankzij mijn vorige blog VoosFruit kreeg mijn proza ook al de nodige waardering. Ik weet nog dat ik in hetzelfde weekend benaderd werd door drie grote uitgevers en dacht helemaal binnen te zijn als schrijver. Ik tekende een contract bij een grote speler in het veld. Ik leverde een boek in en was vervolgens beledigd door de kritiek. Het contract werd ontbonden en ook dat vond niet zo erg, ik gaf het boek met toestemming uit bij een kleine uitgever. Een kleine tien jaar later snap ik de kritiek wél.  Het had beter gekund en ik ben er niet rouwig om dat dit boek ook al niet meer te krijgen is. Er verschenen ook nog twee verhalenbundels bij deze uitgever, waarvan een zowaar genomineerd werd voor een literaire prijs. Maar ook deze samenwerking liep spaak. Ik ben lastig, eigenwijs en niet altijd even redelijk.

Ik kreeg de kans om Abdou en de Anderen bij AFdH uit te brengen, een boek dat gaat over migratie en mijn ervaringen met asielzoekers. Ik heb jaren aan dat boek gewerkt en hoewel het niet erg dik is, is dit het boek van mijn leven. Als ik klem zat in het manuscript werkte ik aan andere verhalen, waaronder een novelle die Malterfoske heet. Tot mijn verbazing gaat AFdH die novelle ook uitbrengen. Ik ben er blij mee, want denk eindelijk mijn eigen stem als schrijver gevonden te hebben. Ik schrijf nogal puntig, geloof ik, nogal rechtstreeks en krijg wel eens te horen dat mijn verhalen altijd somber en heftig zijn, maar niet zonder humor.  Ik kan alleen als weerwoord geven dat ik het niet verzin, maar een deel, en dat ik ook niet gevraagd heb om een heftig leven toen ik geboren werd. Ik doe het er maar mee.

Ik werk ook nog aan een roman, Canisius, Maar ik zie wel hoe dat loopt. Ik heb overwogen om Tagebuch uit te brengen als boek, ook omdat me dat door weer een ander uitgever gevraagd is, maar ik vind het te particulier, het staat op internet, dat is wat mij betreft genoeg. Voorts heb ik nog wat nieuwe verhalen, maar niet genoeg voor een bundel, misschien doe ik er ooit nog wat mee, maar nu nog niet.

De grootste verandering is dat ik grootvader geworden ben van een wolk van een meisje. Wie had dat ooit gedacht? Ik zeker niet. En het voelt echt anders, het voelt echt als een nieuwe levensfase. Ik voel me rustiger en zelfverzekerder dan ooit. Ik weet wat ik wil en wat ik niet wil en hou nog steeds niet van andere flauwekul dan mijn eigen. Maar ook die hangt me weleens de keel uit en daarom heb ik besloten te stoppen met dit Tagebuch.

Ik zal heus nog wel verhalen en nieuwtjes op dit blog blijven plaatsen en mocht er incidenteel nog een gedicht komen dat de toets van mijn kritiek kan doorstaan pleur ik het er ook wel op. Voor nu: arriverdeci en denk maar zo dat ieder zijn of haar aanwezigheid in principe zinloos is.

Behalve die van mijn kleindochter natuurlijk.

© Lammert Voos

 

De heimweeman

Het wijf snurkte. Hij rekte zich uit, had een droge bek en de eczeem jeukte hels. Hij stond op en dronk minstens een halve liter water rechtstreeks uit de kraan. Hij stommelde de trap af, zeeg neer op de beschimmelde bank in de woonkamer en draaide het eerste sjekje van de dag. Die leidde tot een scheurende hoest. Er stonden nog diverse bierflesjes met een restje onderin op de tafel. Hij leegde ze allemaal om zijn keel te smeren.

Hij had heimwee. Toen hij jong was had hij moeten opkomen voor zijn nummer, maar had zich doodongelukkig gevoeld op de kazerne. Hij was gaan drinken. Na een verlof besloot hij niet terug te keren, maar de militaire politie had hem van huis gehaald. Dat was de eerste keer dat hij opgesloten werd. Ziek van heimwee was hij geweest en het was nooit overgegaan. Hij was populair bij vrouwen, allemaal wilden ze hem redden, maar hij hield het nooit lang uit, raakte verveeld en bedroog dan zijn tijdelijke geliefde of liet haar in de steek. Hij trok van dorp naar dorp en liet een spoor van gebroken harten en onbetaalde rekeningen achter. Toch bleef hij een magneet voor vrouwen en drank.

Zijn geld was nu weer op. Hij trok zijn spijkerbroek aan en wurmde zich in zijn cowboylaarzen.  Ging met zijn vingers door haar en baard. Hij slofte de straat over en belde bij zijn overbuurman aan. Het duurde even, toen deed een schurftig kind met een ruikbaar volle luier open. Hij liep het kind voorbij en ging rechtstreeks de trap op, hij kende de weg. Albert zat te zenden, draaide Hollandse Hits. Merkte hem eerst niet op. Hij ramde met zijn vuist op de deur en Albert merkte hem op.

‘Problemen Albert, ze zijn weer geweest, ze boden me vijftig gulden om je te verraden.’ Albert jankte als een hond. ‘Dan geef ik je vijfenzeventig.’ Dat moest genoeg zijn voor een dag. Albert was een sukkel. Zo stom als een rund, had niet veel meer hersens dan dat stinkende kind waar zijn vrouw hem mee opgezadeld had. En hij was minstens zo schurftig en lelijk. Dan kon hij zijn zender wel De Rode Roos genoemd hebben, maar die was knap verwelkt. De heimweeman voelde zich niet schuldig. Albert was al zo vaak gepakt, kreeg dikke boetes, was zelfs een keer de bak in gedraaid en toch door gegaan. Hijzelf was een keer gepakt voor illegaal stroom aftappen, maar hij had nergens over gezeurd. Hij tapte nog steeds stroom af, maar niemand durfde hem te verraden.

Met vijfenzeventig brandende guldens in zijn zak zocht hij thuis om de autosleutels. Hij stapte in zijn Opel Kap’tein. Die startte in één keer. Hij reed over kronkelige wegen die omzoomd werden door populieren naar een dorp verderop waar een café was. Eigenlijk wilden ze hem daar niet, maar ja, ze waren bang voor hem. Daar dronk hij wat kleintjes pils, scheurde wat aan de arm van de gokkast, maar won niks.

Hij bestelde tabak, een krat pils en een fles jenever. Zeilde het krat in de verrotte kofferbak en draaide de dop van de jeneverfles, klemde die tussen zijn knieën tijdens het rijden en nam nu en dan een slok. Draaide met één hand een sjekje. Jenever en tabak smaakten aangenaam.

Thuis lag het wijf nog te slapen. Binnenkort zou hij haar eruit schoppen. Heel even dreigde hij overspoeld te worden, maar dat slikte hij weg met drie grote slokken. Nu eerst dat krat leegdrinken. Alleen. Dat was van hem. Als het wijf wakker werd moest ze zelf maar zien hoe ze aan drinken kwam.

Het leven is hard, dacht hij en dat had hij wel goed, want ze werd niet meer wakker. En hoewel hij haar stem, gezicht en naam langzaam maar zeker uit zijn geest spoelde, bleef het gemis tot aan zijn dood toe aan hem knagen.

© Lammert Voos

Do-08-Okt-2015-Jannes-Wiersema-004-2900-x-1628-960x540

Tagebuch 18-10-2018

Gister en vannacht had ik hoofdpijn. Dat kwam omdat ik weer eens gelijk gekregen heb. Gelijk krijgen is soms heel pijnlijk. Ik zag een documentaire over bootvluchtelingen op de Middellandse Zee. Lijken van verdronkenen spoelen door de stroming massaal aan bij een stad in Tunesië. De mensen in die stad wilden de verdronkenen wel fatsoenlijk begraven, maar hadden er het geld niet voor. Ik had in mijn boek Abdou en de anderen voorspeld dat na de Turkije-deal de vluchtelingenstromen zich weer naar het westen zouden verplaatsen.

Ik las in de krant over minderjarige asielzoekers die zomaar uit zicht verdwenen, waarschijnlijk worden zij nu gebruikt als moderne slaven. In de jaren negentig gebeurde dat ook al, ook daar schreef ik over. Maar niemand heeft ooit iets geleerd of opgestoken. Niemand ziet of hoort iets.

Dat is ook geen wonder, want iedere keer als de vluchtelingenstroom iets afneemt sluit het COA opvanglocaties en ontslaat zijn medewerkers. Gevolg: er is steeds minder draagvlak voor medewerking aan het openen van nieuwe locaties door in aanzet welwillende gemeentes. Diezelfde gemeentes worstelen met hun taakstelling voor opvang van statushouders. Ze willen wel, maar kunnen niet, vanwege een schrijnend tekort aan sociale huurwoningen. Die zijn immers opgeofferd aan de marktwerking (lees bezuinigingen) door de opeenvolgende regeringen met de VVD.

Ook bij de IND lopen de achterstanden weer op. Eveneens het gevolg van die eeuwige cirkel van bezuinigen en dan neemt men weer de nodige nitwits aan als er toch meer migranten Fort Europa weten te bereiken dan vooraf verondersteld. Het is allemaal zo dom en voorspelbaar en de enige reden die de overheid kan verzinnen is dat het geld kost. Kennelijk zijn tentenkampen gratis.

Men schijnt maar niet te kunnen accepteren dat de mens een migrerend wezen is. Dat het de kern is van ons bestaan, want ook onze voorouders kwamen uit Afrika. De staat van ons land is dat er een mevrouw in de gemeenteraad van Amsterdam zit die het woord dobbernegers uitvond en zichzelf enorm grappig vind.

Zelf zit ik al dagen in mijn hoofd met het beeld van de Tunesische kunstenaar die een gedicht schreef op het ritme van een aangespoeld lijk dat met zijn hoofd tegen een rots klotste. Hij vond daar niets grappigs aan. En ik ook niet.

© Lammert Voos

244a55f31d66a6d919159aae6421e694

Tagebuch 11-10-2018

We hebben een toilet, maar toen de loodgieter de douchekraan wilde bevestigen knapte de leiding. Goedkope messing koppelingen is de verklaring. Nu kan er nog maar één kraan kapot en eigenlijk ga ik er klakkeloos vanuit dat dit ook gaat gebeuren. Vooralsnog is het wachten op nieuwe onderdelen en kunnen we niet verder. Ik (en onze bankrekening) zit inmiddels zo aan de lat dat we geen nieuw project oppakken. Daarom een middagje recreëren.

Ik kwam een leuk stuk over mezelf op het net tegen en daarin had ik het over een kerkhof vol Vozen in Eenrum. Dus op naar mijn geboorteplaats. Controleren of ik uit mijn nek geluld had of niet. Er lagen meer Vozen dan ik me herinnerde.

Ik heb jaren elders in het land gewoond en ik was altijd the only Voos in the village en hoorde tot uit den treuren de originele grapjes over mijn achternaam aan. Het plichtmatig beleefde lachje heb ik al jaren geleden achter me gelaten. Maar hier, in het noorden, wordt me gevraagd of ik familie van die en die ben en welke Voos ik dan ben? Nou, dat zijn dus allemaal neven en nichten en achterneven en nichten en dan hebben we het nog niet eens gehad over de familie die hier woont die een andere achternaam heeft.

Het thuiskomen heeft twee gezichten. In ons gezin werd Gronings gepraat en zo’n beetje ieder weekend gingen we naar Zuurdijk, Wehe of Eenrum waar familie woonde. Bij de familie was het naast alle drank-ellende vaak gezellig, maar ons eigen gezin was allerminst veilig. Mijn pa was onvoorspelbaar en explosief, mijn moeder deed nauwelijks voor hem onder en er woedde een koude oorlog die soms uitmondde in openlijke veldslagen, meestal na een verjaardag of visite, als er drank op tafel was geweest. Ik was constant bang. Bang voor mijn beide ouders die het geen enkel probleem vonden om mij als buffer te gebruiken.

Terug in het noorden drukt deze paradox stevig op me. De nabijheid van familie, de taal, het gevoel hier te horen, het landschap; allemaal zaken die ik als prettig ervaar. Daarnaast de grauwsluier die deze afkomst eveneens behelst. Het geweld, het alcoholisme, het gebrek aan perspectief van al die familieleden die het niet gered hebben, en dat zijn er nogal wat. S zegt dat ik het boek van de mislukkingen al geschreven heb, dat ik nu nieuwe en positievere herinneringen moet maken. En dat doe ik. Al helpt die badkamer niet erg mee.

Terug naar het kerkhof van Eenrum. Ik wist van het graf van mijn overgrootouders Kobus en Siet, ooit heb ik een lied over hen geschreven.

Veur de duuvel waas r nait bang, mor wel veur dat wief!

Opa Kobus was riet(dak)dekker en als hij naar beneden sodemieterde klom hij direct weer naar boven, is me verteld. Hij was wel bang voor opoe Siet, een grote kwaadaardige vrouw waar zo’n beetje het hele dorp bang voor was. Opoe Siet had een zogenaamd voorkind, dat geëcht werd door Kobus. Dat voorkind is onze opa. Mijn zus en ik grappen altijd dat wij geen Vozen zijn, maar Reitsema’s.

IMG_20181010_134821424_HDR

Toen ik twee decennia geleden met genealogie bezig was, kon een mevrouw Voos uit een ander stamboomreeks het niet nalaten om mij dat te vertellen: jullie zijn geen echte Vozen. Niet veel later kon ik haar melden dat de hele Vozen-clan uit Eenrum afstamde van Willem, eveneens een bastaard die werd geëcht door een Jacobus Voos, maar dan een halve eeuw eerder. Deze Willem zat bovendien geregeld in het cachot vanwege openbare dronkenschap en geweldpleging. Wat is het soms toch bevredigend om in archieven te sneupen.

Ik werd destijds geholpen door mijn neef Folkert Voos, die toen nog in het archief van de gemeente De Marne werkte. Er was nog een achternicht die verdere gaten in het verhaal dichtte, maar ons spoor loopt dood in Maastricht. Mijn nicht denkt dat we uit België komen, maar zelf hou ik het op Duitsland, omdat daar eveneens de namen Josephus, Cornelius en Jacobus voorkomen, ook bij huidige Vozen rond Münster, Düsseldorf en Solingen.

IMG_20181010_134714921_HDR

Gezamenlijk kwamen wij dus uit bij de oudste Voos die begin negentiende eeuw samen met zijn vrouw van Maastricht naar Eenrum kwam wandelen. Zij waren Inlandse Kramers. In de akten konden we vinden dat ze een kind verloren in Eenrum en dat die daar begraven werd. Ben ik te romantisch als ik veronderstel dat ze daarom in Eenrum zijn blijven hangen?

Er kwamen meer zoons. Eentje trok naar stad Groningen en werd daar groenteboer. De ander bleef in Eenrum als dagloner, dwz landarbeider zonder vaste dienstbetrekking. Er volgt een lijn van armoede en ontbering. De Eenrummer tak splitst zich in tweeën: onze tak en een tak die van zichzelf beweert wél heel keurig te zijn, middenstanders. Maar ook zij hebben hun geheimen. Er was een gehandicapte dochter die zomaar een kind kreeg. Dochter en kind werden snel gedumpt in Gelderland in een internaat.

IMG_20181010_140007133_HDR

Ik weet dit omdat ik tijdens mijn zoektocht met die baby gesproken heb, inmiddels een verbitterde vrouw die een jaar of tien ouder is dan ik. Ze heeft geen behoefte aan contact met haar stam van de familie. Nu is die er ook niet meer. Er is alleen nog een zoon naar de inpoldering van het Wieringermeer getrokken, en dus vind je in de kop van Noord-Holland nog een aantal Vozen.

S en ik vonden op het kerkhof de graven van beide takken, die heel voorspelbaar, ver uit elkaar lagen. De gehandicapte dochter mocht bij genade van de Heer kennelijk toch nog bij haar ouders begraven worden. In de urnenmuur vond ik een neef en oom en tante terug. Ik neig weleens te denken dat Zuurdijk mijn bakermat is, want daar ligt mijn opa Lammert, maar als ik dan hier loop, tussen zoveel familie, dan is het toch zonder twijfel: hier ben ik geboren, hier mag mijn urn eventueel in de muur.

Toch best wat cru: de keurige middenstandsvozen zijn er niet meer en wij, de bastaards, de aso’s, wij doen het goed. Met al mijn neven en nichten aan onze kant van de familie gaat het goed. Wij hebben het gered en zijn alive and kicking!

En verdomd, ik ben er trots op Voos te heten.

© Lammert Voos

Tagebuch 2-10-2018

Ons leven speelt zich momenteel op slechts enkele vierkante meters af. Ik lees alleen de koppen van de kranten en allerlei leed en wereldnieuws gaat aan me voorbij. Ik dacht altijd dat het heel belangrijk was om alles bij te houden, maar nee hoor, mijn gebrek aan belangstelling doet de wereld helemaal niet langzamer draaien. Zo gaat dat dus; je houdt jezelf geregeld voor dat je mening er toe doet en dan blijkt dat helemaal niet zo te zijn. Eigenlijk wist ik dat ook wel.

Die paar vierkante meter behelzen de badkamer. Weken geleden begon ik de oude douchecabine te verwijderen om te vervangen door een nieuwe en toen volgde de ene ramp op de andere. De tegeltjes vielen spontaan uit de muur en alles achter die tegeltjes bleek verrot. In paniek belden we aannemer J. Die oordeelde dat de muur gestript moest worden, waarna hij er waterdicht gips op zou plaatsen en wij de zaak opnieuw konden betegelen.

Eén muur, werd twee, werd drie, werd vier. De leiding van de kraan lekte. De leiding van de wc lekte. De leiding van de kachel lekte. Iedere keer werden we gered, maar iedere keer moest ons plan aangepast worden. Ook financieel. Nu ben ik zo flexibel als een baksteen, dus het was een stevige aanslag op mijn teer zenuwgestel.

Ik vind slopen best leuk, want ik ben ook niet erg subtiel, maar nee, de moker moest in de kast blijven, want er zat immers nog een muur van de pas verbouwde keuken achter. Decimeter voor decimeter moest ik de laag oude tegels weg krabben. Ik deed dit met slijptol, cirkelzaag en Multi-tool en moest nog donders uitkijken voor verstopte elektriciteitsdraden en waterleidingen. Geen idee waar die zaten.

IMG_20180907_191049

Ondertussen ging alles me pijn doen. Ik heb immers spier en gewrichtspijnen en ik was overdekt met stof. Vijf dagen ploeterde ik voort en kreeg het toch voor elkaar. Daarna was J. twee dagen bezig wanden te plaatsen. S. smeerde voorstrijk op de muren, de wc-pot moest eruit en we douchen kakken sinds anderhalve week op de camping tegenover ons. Uiteraard met toestemming.

Na nog eens een week ploeteren hadden S. en ik de tegels er in. Het is heel mooi geworden, maar het schiet nog steeds niet op. Na iedere stap moet alles vierentwintig uur drogen. Vandaag konden we niets, morgen gaan we de tegels voegen en dan mogen we weer vierentwintig uur wachten. Op zijn vroegst kan ik de wc donderdagnamiddag of avond plaatsen en ik verwacht dat het wel weer vrijdag zal worden. Als ik dit weekend de douchecabine erin krijg ben ik blij.

Na het harde fysieke werken was het raar om vandaag zo passief te zijn. Was ik daarom zo chagrijnig? Zo chagrijnig dat een grote herdershond die op mijn honden afkwam terugdeinsde toen ik er alleen nog maar aan dacht wat ik met hem zou doen als hij mijn honden zou aanvallen. Hij bleef op afstand en dat was maar beter ook voor iedereen. Ik weet al van jongs af aan dat ik die nare vechtreflex in me heb, maar schrik er toch nog iedere keer van.

Een aantal weken geleden attendeerde mijn oudste dochter me op de band IDLES en die zag ik vanavond zowaar op televisie. Een postpunkband die op een mij vertrouwde manier politieke teksten uitschreeuwt. In een interview zei de tamelijk zachtaardige zanger dat hij twijfelde aan zijn intellectuele vermogens. Het aloude cliché: intelligente mensen twijfelen aan zichzelf en dombos weten alles zeker.

Het enige dat ik zeker weet is dat ik die verbouwing spuugzat ben, vanavond koppijn heb, graag op mijn eigen pot zou schijten en niet weet hoe ik dit epistel elegant moet afsluiten. Misschien gewoon met het aloude THE END.

Of Wordt Vervolgd?

© Lammert Voos

Tagebuch 10-9-2018

IMG_20180907_003910Dit wordt een stukje over rommel opruimen, slopen en dromen. Ik verwacht dat het weer zoiets wordt waarvan ikzelf de enige ben die de verbanden ziet. The fool on the hill. Een roepende in de woestijn, ware het niet dat ik nergens voor waarschuw en het hier om uiterst particuliere gedachten gaat.

Eerst over het slopen. Ergens vorige week besloot ik dat ik weleens aan de badkamerrenovatie kon beginnen. Fluitje van een cent, dacht ik. Oud douchescherm eruit, oude wasbak eruit, nieuwe wc-pot erin en nieuwe tegeltjes over de oude plakken. Maar toen ik het scherm verwijderde kwamen die oude tegeltjes mee. Bleek alles wat erachter zat nat en verrot. Hout, gips en isolatiemateriaal was door lekkage ernstig aangetast. Lichtelijk in paniek belden we aannemer Jaap, die ook al onze kozijnen heeft vervangen en waar we goede ervaringen mee hebben. ‘Alles moet eruit,’ was zijn oordeel. ‘Er moeten nieuwe waterwerende gipswanden in en pas daarna kun je tegelen.’

Nu was alles tot een halve meter hoogte zat eruit halen een fluitje van een cent, maar daarboven zat het wél goed vast. Het werd een epische klus waar ik een week over deed. We liepen tegen tegenslag na tegenslag op zoals lekkende kranen en verwarmingsbuizen. Maar S hield de moed erin en sleurde me door de moeizame momenten. Ondanks de pijn in mijn spieren en botten zette ik iedere dag opnieuw op pure wilskracht door. En ik werd sterker en ging me ook mentaal sterker voelen. Afgelopen vrijdag was ik klaar: het voelde als een bevrijding. Zaterdag was ik moe en stijf, maar kon het toch nog opbrengen om met S en de honden een stuk te gaan wandelen.

Nu ga ik vaag doen. Ik realiseerde me gister dat ik al een tijd niet meer over mijn vader gedroomd had. Veel van mijn nachtmerries gingen over mijn vader, over die keer dat ik hem tegen de vlakte sloeg, maar doodsbenauwd bleef, hij was immers enorm onvoorspelbaar en ik nog maar veertien jaar oud toen dat gebeurde. Ik herinnerde me dat ik een tijdje geleden droomde dat ik niet meer bang voor hem was na dat incident, maar hij juist voor mij. Hij had geen macht meer over me, ik had me bevrijd.

Leeswaarschuwing: ik ga nog vager doen. Vannacht droomde ik over het café van opoe (eigenlijk van oom Abel). Samen met wat neven en nichten braken we een deur open die dichtgetimmerd was. Daarachter lag rommel van mijn opa, die op zijn zachtst gezegd niet zo’n jolig figuur was. We mieterden al zijn rommel in een container en lieten frisse lucht naar binnen.

Ik droomde vannacht nog iets. Ik was op een feest en er was iemand die vlak achter me liep en me in mijn nekvel vasthield. Op een gegeven moment was ik het zat. Ik heb nooit judo geleerd, maar was vroeger wel een straatvechter en weet hoe je iemand zijn gewicht tegen zichzelf kunt laten werken. Dus ik nam mijn achtervolger in een heupzwaai, werkte hem tegen de grond en met een klap op zijn polsgewricht maakte ik me los. Teerbeminde S wist in de bovenwereld maar net mijn klap te ontwijken . Toen werd ik wakker.

Ik ben nu best heel moe. Maar ook wel opgewekt. Mijn pa hangt me niet meer op mijn nek, ik heb hem definitief verslagen. Ik heb mijn eigen zwarte steen ook verslagen. Ik heb vroeger verslagen. Ik kan er nu onbekommerd akelige boekjes over schrijven. Graham Greene zei het al: an unhappy childhood is a writer’s goldmine. En anders kan ik altijd nog badkamersloper worden.

Of goeroe.

©Lammert Voos

Tagebuch 8-9-2018

Uiteraard moeten twee Armeense tieners, vermomd als Nederlandse tieners, ons land uit. U als weldenkend mens snapt toch ook wel dat iedere asielzoeker en vluchteling de Nederlandse staat, en daarmee de hardwerkende burger, geld kost.

Zoals het vertrek van een aantal multinationals uit ons land diezelfde burger eveneens geld kost. Maar in dit geval worden die multinationals op voorhand beloond met een klap belastinggeld als ze in ons land blijven. Hoewel ik er de logica niet van inzie, vinden de regeringspartijen bovenstaande prima te verdedigen.

Ooit is er een kinderpardon ingesteld in dit land, dit om ons humanitaire gezicht te bewaren, zodat we met droge ogen kunnen beweren dat we de rechten van het kind beschermen en iedere Nederlander ’s nachts rustig in het volle besef van zijn of haar morele superioriteit kan gaan slapen. De werkelijkheid is dat we een zoveelste bureaucratische monster gecreëerd hebben en er slechts een paar honderd kinderen gebruik hebben kunnen maken van dit pardon. De duizend anderen mogen verzuipen in procedures en vervolgens alsnog opsodemieteren.

Want zo doen we dat in Nederland: de mens is de vijand, de ondoorzichtige regelgeving de norm. De Groningers weten er alles van. Mensen die conflicten hebben met gemeentes, met het UWV, met de Belastingdienst, met Defensie enz. enz. weten er alles van.

Niets mag geld kosten, behalve het bedrijfsleven. Nee, dat is inmiddels zo blasé dat het subsidie eist als men hen aanspreekt om de schade te herstellen dat het aangericht heeft. Banken zijn overeind gehouden met overheidsgeld om vervolgens ongestraft grootscheeps te kunnen frauderen. Overigens vind ik de misleidende reclame van de Rabobank eveneens een ernstige vorm van fraude. Suggereren dat je bezig bent met het stimuleren van groene landbouw, maar ondertussen de megavarkensstallen financieren, wat een gotspe.

En het ergste is nog wel dat het kennelijk went. Ik word zelf niet eens meer kwaad. Ik accepteer dat ik het niet kan veranderen en zo zal het een hoop mensen vergaan. De Romeinen hadden dat al goed bekeken; geef het volk brood en spelen en het mort niet. Voetbal en vreten. En zo gaat dat tot het je zelf overkomt, dan piep je wel anders. Maar dan is er niemand die je hoort.

Of wil horen.

© Lammert Voos

brood-en-spelen

Tagebuch 19-8-2018

Ik ben op een leeftijd gekomen dat ik zoveel herinneringen heb dat ik niet meer weet welke echt zijn en welke ik verzonnen heb.  Mijn moeder, daarentegen, weet zich onrecht van zestig jaar geleden nog haarscherp te heugen. Ze kan echter niet meer onthouden wat ze me drie minuten eerder verteld heeft.

Een gedachte die me momenteel nogal bezig houdt: hoe moreel zuiver te blijven in een moreel onzuivere wereld? Bij het kijken naar het tv-programma Kijken in de Ziel over religieuze leiders moest ik denken aan de uitspraak van Voltaire: ‘Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen.’

Die zin hangt vaker in mijn achterhoofd. Een niet erg originele gedachte van me is hoe zich dat verhoudt tot levensfilosofieën en ideologieën die intrinsiek onverdraagzaam zijn en oproepen tot intolerantie en repressie? Winston Churchill zei: ‘Democratie is geen goede staatsvorm, maar ik ken geen betere.’

Ik gedenk de gisteren overleden oud secretaris-generaal van de VN Kofi Annan, die nagenoeg hetzelfde zei en zijn hele leven lang vocht voor de rechten van de mens.

Ik ben zelf ook een held, want ik heb een schaap uit de sloot gered. Een schaap dat te water raakt verdrinkt onherroepelijk omdat zijn vacht zich volzuigt met water en het dier loodzwaar maakt. Ik zag op mijn rondje met de honden het dier aan de oever worstelen, bedacht me niet –ADHD’ers zijn heel impulsief- bond de honden aan een boom en stapte in de sloot. Met moeite kreeg ik het beest op de kant. Uiteraard moest ik dit met de nodige zelfgenoegzaamheid melden op FaceBook. Lof was mijn deel en dat was de bedoeling ook.

Vannacht had ik een openbaring: als het geredde schaap straks volledig volgroeid is gaat het naar de slacht.

© Lammert Voos

6a00d8341bf80c53ef00e54f7ae3408834-800wi