Canisius (fragment)

April is niet de wreedste maand, integendeel. In april stopten de clusterhoofdpijnaanvallen.  In april dronk ik het allerlaatste glas van mijn leven. Ik kwam mijn grote liefde in april tegen die nota bene een hond had, en toen we trouwden namen we er nog een. Mijn verhaal Leeuwenhart werd in een tijdschrift gepubliceerd. Ook in april.

Dat verhaal was gebaseerd op het leven van oom Petrus. Er was een vage kopie opgedoken van een interview met hem met een Belgisch tijdschrift. Hij had verteld dat hij dompteur geweest was in het Russisch Staatscircus en dat hij zijn arm verloren had door een aanval van zijn favoriete leeuw. De werkelijkheid was iets minder prozaïsch: hij was oppasser geweest in een klein circus, dronken geweest en had geprobeerd een leeuw te aaien.

49984326

Ik probeerde meer over hem te weten komen, maar mijn familie bleef schemerachtig. Hij zou in Antwerpen bij een hoerenmadam wonen, net als Zwarte Jan in de stad, hij had gevaren, was in Polen geweest in de oorlog en dat was het dan wel. Op internet was er buiten zijn geboorteakte niets over hem te vinden. Ik wist dat hij bestond of bestaan had, had hem een paar keer ontmoet, maar hij leek van de aardbodem verdwenen. Mijn moeder beweerde niet te weten waar hij gebleven was. Ik hield wel van een beetje fabuleren, was er zelf niet vies van, en zijn verhaal intrigeerde me in hoge mate.

Na veel zeuren bij mijn moeder kwam ik erachter dat hij in een kamp van collaborateurs had gezeten na de oorlog, maar dat hij was gerehabiliteerd omdat hij niet vrijwillig in buitenlandse krijgsdienst was geweest.

Schlemiel is een woord van Jiddische oorsprong en dat woord leek uitstekend van toepassing op deze nazaat van de joodse vleeshouwer Izaäk Abrahams Enema die zich in een nazi-uniform had laten hijsen. Ik oordeelde misschien hard, maar ik vond het wrang. En dan was er in de oorlog nog iets met zijn vriendin wat in eerste instantie onduidelijk bleef.

Ik vermoedde dat er een hoop schaamte bij de familie leefde en dat het verblijf in het kamp voor collaborateurs aan oom Petrus was blijven kleven. Dat was nogal hypocriet.  Zwarte Jan was inmiddels lieve ouwe Ome Jan geworden en dat was pas echt een misdadiger geweest en een pooier bovendien.

Ik bleef zoeken, maar vond niets, dus ik verzon zelf een geschiedenis van oom Petrus gebaseerd op de dingen die ik dan wel wist. Ik speelde ermee, irriteerde mijn familie daar mateloos mee en vond dat leuk. Ik had een enorme hekel aan de slavenmentaliteit en het slachtofferschap van mijn ouders. Ze bleven maar passief agressief zeuren over die slechte herenboeren die hen zo uitgebuit hadden. Ze hadden dat serviel ondergaan en waren nooit actief in verweer gekomen. Mijn vader was ondertussen ambtenaar geworden en mijn ouders waren absoluut niet arm meer, maar van enige solidariteit met minderbedeelden was geen enkele sprake. Mijn ouders keken neer op alles en iedereen die van hun normen afweek. En in die zin waren ze precies zoals de boeren waar ze zo’n hekel aan hadden: provinciaals, kleingeestig, dom, eng en gierig. Wat was er leuker dan verhalen en gedichten te verzinnen die als voertuigen voor mijn  misantropie dienden. Ik had er nog succes mee ook.

© Lammert Voos

Advertenties

Tagebuch 16-10-2017

IMG_20171015_175524Welgemoed begon ik vanochtend mijn spullen bij elkaar te zoeken om de laatste rij opschot te kappen. Ik had er twee goede redenen voor: we willen meer licht in de tuin en vorige week stond in de krant dat woningeigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het vrij houden van de afwateringsloten, dat als de gemeente dat zou doen we een fijne rekening zouden krijgen. Ik ben een hele plichtsgetrouwe burger en vooral een enorme krent.

Het was een fijn plan, maar toen ik de verlengkabel optilde voelde ik het direct; dit wordt niks vandaag. Alle energie trok uit mijn lichaam. Ik dacht dat ik gister helemaal opgeladen was, maar kennelijk was dat alleen geestelijk. Ik ben gister namelijk met mijn nu snel herstellende neef met zijn boot aan het vissen geweest. Voor mij was het vissen maar bijzaak, ik ben gewoon graag op het water.

We lieten de sloep in Wehe- den Hoorn te water in een zijtak van de Hoornse Vaart en voeren toen noordwaarts over de Pieterbuurstermaar richting het buurtschap Oosterhuizen. Onderweg legden we een aantal keren aan in de rietkragen om te kijken of we snoeken konden vangen. Niet dus.

Hoewel ik vlakbij deze vaart, in Eenrum, geboren ben, wist ik niet van de betoverende schoonheid van deze vaarten, hier tochten genoemd. Aan de oevers staan dikke rietkragen waarop grote pluimen wuiven, vol vogelleven, zoals karekieten, snippen, ijsvogels, maar dodelijk voor overstekende reeën die de oever niet meer op kunnen komen en dan verdrinken.

Vooral de terugtocht was fantastisch. De zakkende zon kleurde de hemel frambozenrood en eenden sprintten over het water voor ons uit. Op het pruttelen van de motor na was het doodstil. Ik voelde de altijd aanwezige spanning in nek en schouders wegzakken. Maar kennelijk word je daar ook moe van.

Vorige week hebben we een nieuw hondje gehaald. Het is een hondje dat uit Griekenland komt. Eigenlijk vind ik dat je niet met die dieren moet slepen, de asiels zitten hier ook al overvol en je creëert iets. Maar deze opvang liet het voorkomen alsof dit hondje geen plek kon vinden en zij het daarom maar opvingen. Het had al een plekje gehad, maar was onverwacht terug gebracht, zonder dat hen de reden daarvan verteld werd.

Inmiddels weten wij de reden wel. Het hondje ( we hebben haar Sheena gedoopt, Gabba Gabba Hey!) kan niet alleen zijn, raakt in paniek in een bench en als je haar in een kamer opsluit, probeert ze daar uit te komen en sloopt van alles. Bij ons was dat zeil en een deurpost. Voor ons geen reden haar terug te brengen, loyaliteit dient immers van twee kanten te komen.

Gelukkig hadden we Wimmie Blafstra al, die ondanks het feit dat hij zijn prinsjesstatus moet inleveren, een voorbeeldige oudere broer blijkt te zijn. Hij leert haar van alles en is ook allervriendelijkst tegen het hondje dat duidelijk getraumatiseerd is. Het is een zachtaardige ziel die schrikt van onverwachtse bewegingen en luide machines.

Ik merk dat ik zelf ook zachter en verdraagzamer van haar word. Eigenlijk ben ik een enorm zacht ei, maar gelukkig nog steeds geen bal.

© Lammert Voos

IMG_20171011_150031

 

 

 

 

 

 

 

Tagebuch 10-10-2017

Schuld, het is me met de paplepel ingegoten. Ik hoor dat overigens veel bij generatiegenoten. Je dient te presteren, aan verwachtingen te voldoen, het sowieso altijd beter te doen dan je ouders, want die hebben immers zoveel voor je gedaan en vooral nagelaten. Zij hebben offers gebracht, dat je dat maar even weet.

Schuld is een tweede natuur geworden, was het ook altijd al, en daarom heb altijd mijn stinkende best gedaan, ging grenzen over en deed dingen ten koste van mezelf. Ik wilde immers zo graag de goedkeuring van mijn ouders. Nou, die kwam niet. Tegen de buren werd er wel opgeschept met je zoveelste stukje in de krant of dat je zo belangrijk op je werk was, dat je een zware baan had en het zo goed deed en blablabla…

Pas toen mijn pa dood was vond ik een briefje van hem: de zegelring was voor zijn slimme zoon, in casu: moi. Te laat. Had bij je leven maar gezegd dat je me zo zag, in plaats van altijd dat negatieve commentaar te geven. Dat hou je toch niet vol. Ik leef er maar mee.

Mijn moeder was ook niet bepaald een bron van warmte en goedkeuring, ja tegen haar buren, maar de leegte daarachter…Als het maar status had wat ik deed. Ook dat doet zeer en ook daar leef ik maar mee.

Maar soms, godverdomme, vergeet ik gewoon dat ik daar afstand van heb genomen, dat ik doe wat ik doe en doe wat ik zelf wil. Het lijkt verdomme wel een liedje van Lennart Nijgh.

Een half jaar geleden kon ik niet lopen. Ik ben nog steeds altijd doodmoe, iedere stap kost me moeite. Als ik per dag een uurtje fysiek bezig kan zijn ben ik blij, want ik heb altijd pijn. En het kost me de nodige wilskracht om überhaupt ergens aan te beginnen. Ik vergeet vaak dat ik eigenlijk chronisch ziek ben. Ik wil sterk zijn, net als vroeger; ik wil nog alles kunnen, net als vroeger. Nu begin ik waarschijnlijk te klinken als een liedje van De Zangeres Zonder Naam…

De achterbuurman had met me afgesproken dat hij het hout dat ik aan de slootkant gekapt had en in de sloot en op het jaagpad lag zou opruimen als hij het als brandhout mocht hebben. Goeie deal, maar ik kon enige jaloezie toch niet onderdrukken toen ik zag dat hij dat in een uurtje voor elkaar had. Hij is voor in de dertig, fysieke arbeid gewend en voor zover ik weet niet ziek.

Vanochtend keek ik nog eens op de bijsluiter van mijn dure medicijnen. De spier en rugpijn, de stramheid en vermoeidheid, het hoort er allemaal bij. En ik realiseerde me dat ik al weken geen ontsteking meer gehad heb. Deze pijntjes zijn een lachertje vergeleken bij die van een ontsteking. En ik bedacht me dat ik mijn handen stijf dicht mag knijpen dat ik überhaupt weer een uurtje per dag bezig kan zijn, en dat ik me er niet schuldig over hoef te voelen voor het zo lang duurt dat ik iets af heb. En dat ik al best veel voor elkaar heb gekregen.

Nu begint het waarschijnlijk te klinken als een klef liedje van een gospelkoor. Voor een keertje voel me daar echter absoluut niet schuldig over.

© Lammert Voos

IMG_20171010_122327.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

De ontsnappingskunstenaars

De afgrond, ik herkende die bij sommige mensen als ik in hun ogen keek; er zat geen bodem achter, ze zwommen in het luchtledige. De meeste mensen zouden dat niet herkennen, maar ik wel, ik had waarschijnlijk zelf ook van die ogen. Je zag dat bij psychiatrische patiënten, alcoholisten, oorlogsslachtoffers en mensen die te vaak door het leven neer gehoekt waren. Je klampte je vast aan alles wat maar drijfvermogen had en hoopte er maar het beste van, maar soms was er gewoon niets meer om je aan vast te klampen.

Daarom mocht ik niet van de afdeling af, toen ik daar geplaatst was nadat mijn maag leeggepompt was. Walter, die het bed naast mij bezette, mocht ook niet weg. Hij was door zijn vrouw en moeder gebracht, nadat hij voor de zoveelste keer even een biertje was gaan halen. Het probleem was namelijk dat een biertje halen bij hem zomaar twee weken kon duren en meestal werd hij dan opgepakt door de politie vanwege een knokpartij. Hij kon zich na ontnuchtering meestal niets herinneren van de voorgaande twee weken.

Walter was altijd aan het geinen, grijnsde continue, maar zijn ogen deden niet mee. We leken op elkaar. Alleen onze drang onszelf te vernietigen namen we serieus. Ik wil verder over hem vermelden dat hij het aanvankelijk niet over zijn vader had en dat zijn moeder twee Pekineesjes had. Dat laatste is niet echt belangrijk, maar ik vond toch dat ik het even moest vermelden. Kreeg ik nog weleens bezoek van mijn zuster en haar man, bij Walter kwam niemand, want zijn geliefden hadden inmiddels tabak van hem. Of ze wisten gewoon niet hoe het nu verder moest, dat kan ook. Walter wist dat zelf ook niet. Ook daarin leken we op elkaar.

Ik kon niet lopen van de jicht, zowel mijn knieën als mijn voeten waren ontstoken, dus bewoog me voort in een rolstoel, uiteraard voortgeduwd door Walter, die het zeldzame talent had om verplegend personeel consequent over de voeten te rijden. Hij keek daar onschuldig bij en deed heel onhandig, maar ik wist dat hij het met opzet deed. Ik moedigde hem in het geniep aan. Wij pijn lijden op deze afdeling, jullie pijn lijden, was ons motto.

Batman-farge.jpg

Zo eens in de twee dagen had ik een gesprek met de psychiater, een uiterst aantrekkelijke vrouw, maar dankzij Walter kon ik haar niet meer recht in de ogen kijken zonder in lachen uit te barsten. ‘De dokter draagt geen onderbroeken,’ had hij me bloedserieus verteld, ‘en als ze van haar stoel opstaat hoor je het geluid van een gootsteenontstopper.’ Ik vond het een walgelijke grap, maar kon mijn lachen niet onderdrukken, dus misschien was ik wel gewoon een hypocriet. Ongetwijfeld.

Overdag moesten we meedoen met bezigheidstherapie. De meesten maakten mozaïekjes van kralen of stukken gekleurd glas, anderen vlochten van riet onderzetters voor pannen en als je meer weerstand nodig had om bij je kern te komen mocht je met klei werken. Aangezien Walter en ik één en al weerstand waren vlogen de hompen klei al snel door de ruimte, waarna een andere patiënt zich bij de therapeute beklaagde. Die antwoordde met een rustige glimlach dat ze ons niet weg zou sturen, dat iedereen er hier bij hoorde, zelfs mensen die zich misdroegen. Toen was de lol er voor ons wel af.

Die avond zaten Walter en ik als laatsten in het rookhok, verder was iedereen al naar bed. De doorrookte muren waren doof, wellicht dat Walter daarom plotseling bedroefd serieus werd. Ik kon het amper verdragen. Hij vertelde met vochtige ogen over zijn vader die bij het sigaretten halen onder een trein was gelopen ofzo, maar het kwam erop neer dat hij zich in de steek gelaten voelde en dat die Pekineesjes voor zijn moeder belangrijker waren dan hij. Kennelijk ruilde ze iedere keer als er eentje versleten was de oude in voor een nieuwe. Ik deed net of ik luisterde, maar het kon me niets schelen. Ik had wel genoeg aan mezelf, hoewel mijn moeder geen Pekineesjes had.

De volgende dag was Walter verdwenen en de verpleger die me wekte deelde me mee dat ik over een half uur bij de psychiater werd verwacht. Maar hij nam wel mooi mijn rolstoel mee. Ik kon best lopen, zei hij, het werd tijd dat ik weer op mijn eigen benen ging staan, zei hij. Ik wilde hem vermoorden.

Ik strompelde naar de psychiater en ook zij draaide er niet om heen. Ze verklaarde dat ik leed aan vermijdingsgedrag en dat dit ook de kern van mijn alcoholprobleem was. Wat wist die kut zonder onderbroek daar nou van? Ik wilde haar slaan. Ik wilde weg uit dat akelige kantoortje van haar. Uit de buurt van die rotkop van haar. Ze zag mijn woede en stelde me de vraag of ik wist wie de ambulance had gebeld nadat ik al die pillen had opgevreten.

Ik wist het niet, ik kon me er niets van herinneren. Ik kon me herinneren dat ik wakker werd op de Intensive Care en moest pissen in een soort bloemenvaas en een verpleegster tegen een andere had gezegd dat ze nooit geweten had dat zulke grote mannen zo’n klein piemeltje konden hebben. Dat was het enige. Maar dat laatste vertelde ik uiteraard niet. De psychiater zei dat ik zelf de ambulance had gebeld. Ze liet een veelbetekenende stilte vallen. Maar het werd nu tijd dat ik eens verantwoordelijkheid nam, zei ze. Dat ik niet alles kon weglachen of wegdrinken, zei ze. Dat ik aan de slag moest met mezelf. Ik was woedend en weigerde de rest van de dag van mijn bed te komen.

Een dag later was Walter terug. Hij was op tournee geweest, maar zijn moeder had hem door vrienden uit de kroeg laten plukken, vast nadat ze hem had laten opsporen door een Speurpekineesje. Hij grijnsde niet, tenminste, ik dacht dat hij niet grijnsde, want hij lag met zijn rug naar me toe en wilde niet praten. De dagen daarna bleef hij stil. Hij schoor zich niet en had diepe kringen onder zijn ogen. Toen ik weg mocht, gaf hij mij een hand en werden zijn ogen weer vochtig. ‘Zorg dat je ontsnapt,’ zei hij.

De jaren daarna kwam ik hem geregeld tegen in de stad. Soms was hij nuchter, soms was hij op tournee. Soms was ik nuchter, soms was ik op tournee. We spraken altijd af om binnenkort eens bij te praten, maar dat gebeurde nooit.

Vorige week liep ik in de stad, langs de visboer, toen iemand mijn naam riep. Het was Walter die met een grote grijns op me toe liep. Hee ho, hoe is het nou? Nou, met mij wel goed. Ik vertelde getrouwd te zijn en nu in een dorp te wonen en vroeg hem of hij nog wel eens op tournee ging. Al tien jaar niet meer, antwoordde hij, hij had nu een baan. Ik vertelde dat ik al acht jaar niet meer op tournee ging. Walter bleek zelfs nog getrouwd te zijn met dezelfde vrouw. Dat vond ik knap van hen beiden. Ik durfde niet naar zijn moeder en haar Pekineesjes te vragen.

‘We zijn toch nog mooi ontsnapt, jongen,’ zei Walter met vochtige ogen. ‘We moeten beslist binnenkort eens bijpraten!’ Dat zouden we doen. Toen liep ik verder en ik voelde me best goed.

© Lammert Voos

 

 

Tagebuch 4-10-2017

Slapeloze nacht. Het is de prijs die ik betaal voor twee nachten met slaappillen. Die had ik ook even nodig. Afgelopen vrijdag was ik in Groningen, optreden bij de uitreiking van het Belcampo-stipendium aan Erik Nieuwenhuis. Normaliter vind ik dit soort bijeenkomsten erg vervelend, maar tot mijn verbazing vond ik het dit keer erg leuk. Misschien ook omdat ik overladen werd met complimenten over mijn voordracht.

Ik las een stuk voor uit het boek van Erik, maar ik had het ernstig vergroningst. Bovendien had ik een stomme pet opgezet en trok ik mijn onnozelste gezicht (dat was inderdaad niet moeilijk, geachte inkoppers).  Ik speelde een op zijn zachts gezegd niet erg met zijn tijd meegegane kachelverkoper op een camping in Onnen. Verder vertel ik niks, behalve dat Erik een hilarisch boekje geschreven heeft.

Op de terugweg begon steeds een lampje op het dashboard van de auto te branden: stop! Ik niet stoppen natuurlijk, ik neem geen bevelen aan, zeker niet van een auto. De volgende dag bleken de remleidingen lek. Ik had dus een soort Russische roulette gespeeld en beloof van nu af minder eigenwijs te zijn. (Leugenaar)

Of het de nieuwe bril met leesluiken was of de spanning, ik kreeg ’s avonds gigantische koppijn en de volgende dag en nacht weer. Spuugzat ben ik dat wrakke lichaam en die kop van me. Aangezien er een straf windje stond, besloot ik mijn kop leeg te laten blazen. Hond mee, Bretonse wandelstok mee, water en eten mee.

Ik liep richting Zoutkamper Ril door de open velden, over oude dijken, langs braakliggende akkers en mijn oren gloeiden van de wind. Alles deed me zeer, maar ik stapte flink door. Uiteindelijk voelde ik niets meer, behalve honger en vermoeidheid. Hond en ik lunchten aan het water.

De terugweg voerde me nog langs de oude boerderij die Panser heet, niemand weet wat dat betekent, geloof ik. Ik maakte een praatje met de boer van dienst, die verzuchtte maar één paar handen te hebben. Zijn zoon, de echte boer, was ziek en zat midden in een verbouwing die hij niet af kon maken en de man hielp nu mee op het bedrijf.

Ik schat dat ik een kilometer of zeven gelopen heb en dat is me niet gelukt sinds die ellende met mijn gewrichten begonnen is. Ik verwachtte dus dat ik vandaag, eigenlijk gister, wel de prijs zou moeten betalen en nam gisteravond, eigenlijk eergisteravond (volgt u nog?) maar een slaappil om te herstellen. Maar ik wil die dingen niet meer te vaak, dus accepteer ik dat ik vannacht weinig slaap.

Vandaag overdag kreeg ik de geest. S wil graag groente gaan kweken volgend voorjaar en de bomenrij langs de sloot achter nam heel veel licht uit de tuin, dus die heb ik maar even gekapt. Ik moet alles nog klein zagen en opruimen, maar mijn spieren begonnen zo te trillen en mijn hoofd werd zo licht dat ik dat maar even uitgesteld heb. Helaas zijn de weersverwachtingen niet denderend en werkt mijn kettingzaag op een verlengsnoer, dus ik zie wel of ik dat deze week nog voor elkaar krijg.

Morgen ga ik de auto ophalen. Met de bus. Het is een duur geintje geworden. Ik dacht dat ik een heel aardige bak gekocht had, maar ja, je kunt niet overal verstand van hebben. Ik heb het eerder gezegd en ik zeg het nog maar eens: ik ben nou eenmaal het beste in slopen en afbreken.

© Lammert Voos

 

 

 

 

 

 

 

Tagebuch 18-9-2017

Je hebt van die dagen die je beter kunt overslaan. Dat je geduld je hopeloos in de steek laat, dat je eindeloos loopt te hampelen, alles verkeerd begrijpt en precies de verkeerde dingen zegt. Zo’n dag die één groot misverstand is.

Op zich begon het wel aardig. Achter de computer kon ik ook niet veel schade aanrichten, kwestie van zelfbeheersing, niet teveel reageren op de sociale media, gewoon lekker droog doen waarvoor je uit bed kwam vandaag. Een werkplan lezen en beoordelen. Viel allemaal best te doen. Ik hoop met commentaar en kritiek een beetje opbouwend te zijn geweest. Ik hoop te stimuleren en motiveren, ego’s breken doe je bij arrivés, niet bij jong talent.

Na de middag naar de kringloop, we hebben immers nog steeds dingen nodig, zoals een klok en S is creatief bezig in de keuken en maakt van oude dienbladen besteklades. Dat klinkt vast vreemd, maar neem van mij aan dat ze dat heel goed kan. Kringloop 1 & 2 waren dicht. In Kringloop 3 zagen we een prachtige salontafel die een soort marmeren blad leek te hebben. Er stond geen prijs op, dus ik dacht handig te zijn door aan de onderkant te kijken. Het blad bleek er los op te liggen. Toen moesten we hem wel kopen. Bij het in de auto laden stopte een auto , een nicht van me, die even een praatje wilde maken. Antwoorden lukte me maar matig, verbouwereerd als ik was. Nu staat in onze woonkamer een salontafel waarvan het blad met ducttape  vastgemaakt is.

Ik ging de hond uitlaten. Normaliter doet hij keurig een drukje in het bos. Deze keer besloot meneer daarmee te wachten tot we in het dorp terug waren. Bij gebrek aan plastic zakje had ik meneer zijn keukje in een papieren zakdoekje gewikkeld die ik in de hand hield. Het keukje was nog lekker warm. Ik kwam een dorpsgenoot tegen die met mij over cultuur wilde praten en al die tijd werd mijn hand warmer en warmer en begon dat zakdoekje nu door te lekken en werd zijn draagvermogen ook niet allengs minder?

Er zijn dagen dat je blij bent dat het gaat regenen en dat je een excuus heb om je naar huis te spoeden. Ik kom vandaag niet meer van de bank, maar de voeten op de salontafel leggen, nee, dat durf ik niet.

© Lammert Voosunnamed (1)

 

 

 

 

 

Tagebuch 14-9-2017

Ik verveel me. Ik heb me de hele dag zitten vervelen. Er is niets wat me noemenswaardig irriteert en dat irriteert me. Mijn to-do lijstje van deze week is al hoog en breed klaar en buiten kan ik niet bezig, omdat het te nat is. Misschien dat ik daar dan maar over moet klagen.

Het afkicken van de slaapmiddelen hou ik met gemak vol. Ik kom moeilijk in slaap, maar dat compenseer ik overdag met dutjes op de bank en ik merk dat ik veel scherper ben. Bovendien heb ik minder pijn in mijn voeten en benen, dus daar kan ik ook al niet over zeuren.

Gister stormde het, maar we hebben geen schade opgelopen. Er waren wat takken van de boom in de voortuin gewaaid en ik moest drie meter naar boven klimmen om een zware half afgebroken tak definitief af te zagen. Hierbij overwon ik mijn hoogtevrees, dus ik kan alleen maar trots op mezelf zijn. Godsamme. De schutting en het stuk van de blokhut dat ik al gebouwd heb zijn fier overeind blijven staan. Kennelijk kan ik beter bouwen dan ik dacht.

Gister zag ik ook voor het eerst in mijn leven een Wielewaal. Dichter en vriend Nanne Nauta zit me altijd te pesten met het feit dat hij hem iedere vakantie ziet in Frankrijk, maar nu heb ik hem dus ook gezien. Geen twijfel mogelijk. Nu staat er alleen nog de blauwborst op mijn verlanglijstje, maar dat is slechts een kwestie van tijd.

Ik zou kunnen zeiken over de dure bril die ik aangeschaft heb, maar eigenlijk ben ik daar best heel tevreden over. Ik maakte zelfs nog een leuk grapje bij de opticien: ‘Ik vind die Jan Smit geen reclame voor uw zaak.’ Iedereen die het hoorde lachte, dus ik ben ook al geen onbegrepen genie.

Afgelopen zondag maakten we met vriendin Maaike een leuk tochtje over het Hoogeland, bezochten een kerk met fototentoonstelling en sloten af met een bezoekje aan Noordpolderzijl, alwaar Maaike een leuke foto van ons maakte. Daarna trakteerde ze op een overheerlijk broodje garnaal. De nieuwe auto doet het goed en nadat S met keukenkit het dakraam heeft behandeld lekt dat ook niet meer. Nee, we hebben onze zaakjes goed voor elkaar en zijn tamelijk gelukkig.

Wat een hel.

© Lammert VoosIMG-20170910-WA0000

 

De plicht roept (een oudje)

Het wijf snurkte, een zuster van zijn ex die niet gesnurkt had. Hij rekte zich uit, had een droge bek en de eczeem jeukte hels. Hij stond op en dronk minstens een halve liter water rechtstreeks uit de kraan. Hij stommelde de trap af -het wijf bleef snurken- zeeg neer op de beschimmelde bank in de woonkamer en draaide het eerste sjekje van de dag. Die leidde tot een scheurende hoest. Er stonden nog diverse bierflesjes op de tafel met een restje onderin. Hij leegde ze allemaal om zijn keel te smeren.

Geld op. Geen probleem. Hij trok zijn spijkerbroek aan en wurmde zich in zijn cowboylaarzen.  Met de vingers door haar en baard. Catweazle noemden ze hem. Geen probleem. Hij slofte de straat over en belde bij zijn overbuurman aan. Het duurde even, toen deed een schurftig kind met een volle luier open. Hij liep het kind voorbij en ging rechtstreeks de trap op, hij kende de weg. Albert zat te zenden, draaide Hollandse Hits. Merkte hem eerst niet op. Geen probleem. Hij ramde met zijn vuist op de deur. Albert merkte hem op.

‘Problemen Albert, ze zijn weer geweest, ze boden me vijftig gulden om je te verraden.’ Albert jankte als een hond. ‘Dan geef ik je vijfenzeventig.’ Dat moest genoeg zijn voor een dag. Albert was een sukkel. Zo stom als een rund, had niet veel meer hersens dan dat stinkende kind waar zijn vrouw hem mee opgezadeld had. En minstens zo schurftig en lelijk. Dan kon hij zijn zender wel De Rode Roos genoemd hebben, maar die was wel verwelkt. Catweazle voelde zich niet schuldig. Albert was al zo vaak gepakt, dikke boetes, zelfs een keer de bak in en toch door gaan. Hijzelf was een keer gepakt voor illegaal stroom aftappen, maar hij had niet gezeurd. Hij deed het nog steeds. Maar niemand durfde hem te bedreigen of verraden in het dorp. Geen probleem.

Met vijfenzeventig brandende guldens in zijn zak zocht hij thuis om de autosleutels. Hij stapte in de Kap’tein. In één keer starten. Geen probleem. Hij reed over kronkelige wegen omzoomd door populieren naar een dorp verderop waar een café was. Eigenlijk wilden ze hem daar niet, maar ja, ze waren bang voor hem. Geen probleem. Dronk wat kleintjes pils, scheurde wat aan de arm van de gokkast, niks.

Bestelde tabak, een krat pils en een fles jenever. Zeilde het krat in de verrotte kofferbak en draaide de dop van de jeneverfles, klemde die tussen zijn knieën tijdens het rijden en nam nu en dan een slok. Draaide met één hand een sjekje. Jenever en tabak smaakten aangenaam.

Thuis lag het wijf nog te slapen. Binnenkort zou hij haar eruit schoppen. Misschien mocht hij dan zijn kinderen weer zien. Heel even dreigde hij overspoeld te worden, maar dat slikte hij weg met drie grote slokken. Nu eerst dat krat leegdrinken. Alleen. Dat was van hem. Als het wijf wakker werd moest ze zelf maar zien hoe ze aan drinken kwam.

Geen probleem.

© Lammert Voos

gb

 

 

Openbaringen

in de kerk op de wierde staat
met krijt op een bord de lezing van
deze dag, kil en koud de banken,
geen opsmuk aan het pleisterwerk,
valt nauwelijks licht door de
hoge ramen, een monument van

mooi opgeknapt zegt de vrouw
met haar lege blik, toch mooi
hoe ze zoiets opknappen
-mooi hè?
-mooi hè?
-mooi hè?

komt over het kale verdronken
land de angst aan galopperen

en die nacht zingzegt de jonge vrouw
met de wallen onder haar ogen,
dat we allemaal verloren zijn
hoe we verenigd zullen worden
door een storm en ze lacht niet,
ze lacht nooit en ik geloof haar

droom ik later van
ommuurde steden–mooi hè-
vrees ik niets daar buiten
maar wat ik denk te weten
en waarin ik berust

© Lammert Voos

 

 

Tagebuch 8-9-2017

Slapeloze nacht en de regen klettert op het dak. Gister waren we zes jaar getrouwd. We zijn ruim negen jaar samen en ik ben in die jaren enorm gegroeid en niet alleen qua omvang. Ik ben dichter en schrijver geworden, heb de drank definitief verslagen, want geen enkele zucht meer, geen echte depressies meer gehad, heb veel over mezelf geleerd. Beperkingen leren kennen, steeds vaker tijdig grenzen bepaald, maar ook meer zelfvertrouwen gekregen, ben mijn angsten serieus gaan nemen, dus overschreeuw mezelf niet meer en heb mezelf de kans en tijd gegeven mijn talenten te ontwikkelen.

Hoewel ik erg gelukkig ben samen met S voel ik me toch somber de laatste dagen. In een gesprek met haar vandaag wist ik te analyseren hoe dat komt, zo gaat dat vaak met ons: al pratende komen we samen ergens. Ik concludeerde dat ik altijd pijn heb en me altijd katerig voel van de medicijnen en dat het me veel energie kost om me ergens toe te zetten. Maar van niks doen ga ik me niet beter voelen. Bovendien ben ik verslaafd aan de slaappillen en daar word ik ook niet fitter van.

Vandaar deze slapeloze nacht. Ik vreet die dingen niet meer. Als ik kan winnen van de drank en depressies is dit toch een makkie? Gewoon een kwestie van een weekje doorbijten. Ik slaap zonder pillen wel oppervlakkiger en heb meer nachtmerries, maar dat moet dan maar.

Oh, die wankele gezondheid van ons. Op de sociale media was het alom ach en wee over de aangekondigde verhoging van het eigen risico van de ziektekostenverzekering. Ik ging me er bijkans schuldig van voelen. Ik ben immers chronisch ziek, dus een dure jongen qua medicijngebruik. Natuurlijk betaal ik zelf ook liever minder, maar de andere kant ervan is dat wij zo’n beetje de beste gezondheidszorg hebben van de wereld. De kindertjes in Afrika zouden maar wat graag zo’n hoge eigen risico betalen…

In mijn directe omgeving zijn veel mensen ziek of ziek geweest. Is het de leeftijd vraag ik me weleens af, maar ik kom keer op keer tot de conclusie dat dit niet zo is. Toen ik een jaar of negen was stierf mijn buurjongetje René aan een hersentumor. Jonge mensen in mijn omgeving gingen dood aan ziektes of ongelukken. Veelal stomme pech. Goede vrienden en vriendinnen stierven. Ongelukkig en absurd. Mijn beste vriendin Joke werd getroffen door de bliksem. Ze was nog geen dertig. Vriend Wietse kreeg leukemie en stierf binnen een maand. Tweeëndertig. Drie voormalige klasgenoten van de middelbare school vlogen met hun auto uit de bocht. Alle drie nog geen twintig. Zo beschouwd heb ik dus altijd veel geluk gehad, want ik heb bepaald niet gezond geleefd, afgezien van de laatste negen jaar.

Gisterochtend kreeg ik een mail van mijn poëzie-uitgever. Hij stopt ermee vanwege gezondheidsredenen. Ik snap dat. Ook hij is chronisch ziek en ik weet uit ervaring hoeveel twijfel dat met zich meebrengt, dat je evenwicht wankel is, dat iedere stap veel energie kost, dat je je geregeld teveel voelt voor je omgeving en ga zo maar even door.

Voor een aantal van mijn vrienden en fondsgenoten zal het flink slikken zijn. Poëzie is niet gemakkelijk aan de man of vrouw te brengen en goede uitgevers zijn schaars. De kleinere uitgevers hebben beperkte middelen en de grote hanteren vaak criteria waar ik helemaal niets mee heb. Nou maakt dat voor mij niet veel uit, want ik maak nauwelijks nog gedichten en eerlijk gezegd vind ik de gedichten die ik maak niet wereldschokkend. Het zou zomaar kunnen dat Rigor mijn laatste bundel is. Fijne titel trouwens, gezien het bovenstaande.

Begin deze week ben ik voor het eerst naar de reumatoloog in Groningen geweest. Dat heeft niets met poëzie te maken, maar ik wil wat positief eindigen, anders slaap ik helemaal niet meer. Hij zei dat hij me een riem onder het hart wilde steken. Het zal lang duren voor de medicijnen echt merkbaar effect zullen hebben, want de kristallen rond mijn gewrichten lossen maar heel langzaam op, vertelde hij. Maar ik merk het al. Ontstekingen zijn nu meestal binnen een dag weer weg en de scherpe randjes gaan wat van de pijn af. Ik heb ook geen krukken meer nodig.

Het is nu kwart voor vier en droog. Tijd om toch nog een paar uurtjes te gaan liggen. Mocht het een tijdje stil zijn, dan slaap ik. Hopelijk.

© Lammert Voos

cover_2