Malterfoske (een novelle) 3

De mist hing als een parelmoeren gordijn boven de braakliggende akkers, maar de meid merkte dat niet. Haar leven speelde zich af binnen twee meter, haar ogen waren te slecht en horizon had ze nooit gekend. Kille schaamte deed haar huiveren en de schoenen die ooit van haar zuster waren geweest leken bij iedere stap erger te knellen. De zandweg leidde naar het kanaal, ooit rivier, ingeklemd tussen strakke oevers, bedwongen door boeren die sluizen en gemalen lieten bouwen. De honger naar meer land deed hen hoogmoedig geloven dat ze water bedwingen konden, maar van tijd tot tijd kwam de zee terug en nam wraak en maakte de akkers weer zilt en deed graan, bieten en aardappels rotten voor er geoogst kon worden. Het kanaal lag geduldig te wachten tot de sluisdeuren openden en nieuwe schepen brachten, haar spiegel gebroken werd door hekgolven, brak water binnen vloeide dat glasaal, mosselen en krabben bracht, een glimp van haar almacht en de werkelijke goddelijke kracht kon tonen van het water. Hadden de mensen nou nog niet begrepen dat de zee, de stroom, het majem, niet te bedwingen viel? Zonder water geen leven. Het getij, leven en dood, de eeuwige maalstroom.

Een roeiboot kloste tegen de eikenhouten sluisdeur, een eenzame visser haalde zijn fuiken binnen, hij riep een groet, leek het verdriet op het gezicht van de meid niet te zien, was wellicht ook te druk met het weerspannig net, het houten bruggetje boven de deuren galmde dof haar voetstappen,  hij hoorde haar meer dan hij haar zag.

Hij, de eenzame visser, verzonken in zorg over zijn zieke vrouw en zijn drie zoons waarvan twee niet wilden deugen. Het schip waar zij op woonden diende opnieuw geteerd, de naden lekten, maar waar het geld te halen? Zijn handen waren gezwollen en gebarsten van het brakke water en de ruwe netten, zijn knokkels geschaafd aan de kin van zijn oudste zoon die steeds opnieuw in het gareel geslagen diende te worden.

De onwetende jonge vrouw op de brug spoedde ondertussen gezwind voort naar haar onbestendige toekomst die als enige zekerheden hoon en schande kende. De visser keek de meid na, volgde haar onzekere tred, tot ze ter hoogte van het gemaal opgeslokt werd door de mist. Hij boog zich voorover, zette zijn voeten aan weerszijden van de half in het water hangende fuik, zette zich af en trok middels zijn lichaamsgewicht het volle net verder de vlet binnen. Hij onderhield zijn vlet zorgvuldig, zonder kon hij niet vissen, terwijl de tjalk waarop  ze woonden en waar ze vroeger vracht mee vervoerden steeds verder aftakelde.

Ze zaten hopeloos vast, lagen onder de brug bij het pestbosje, waar in vroeger tijden het vee dat gestorven was aan besmettelijke ziektes begraven werd. De herenboeren hadden juist daar een paar kleine huisjes neergezet voor de minderbedeelden. De visser spoog een bitterbruine straal pruimtabakssap in het water.

Langzaam maar zeker kwam de volle fuik boven water. De spieren in zijn schouders en rug brandden. Na nog een woeste hijs kletterde de vis tenslotte op de bodem van de boot. Zwaar nahijgend bekeek hij de opbrengst. Een paar dikke alen, wat brasem, een kleine snoek, wat kleinspul, een paar baarzen met groene rug, zwarte dwarsstrepen en bloedrode vinnen, prachtige vis, en wat zilverglimmende voorn. Niet slecht. Hij gooide niets terug, dat kon hij zich niet permitteren, hij zat diep in de schuld bij de dokter. Hij had van meer schippersvolk gehoord dat onverklaarbaar ziek werd nadat het chilisalpeter vervoerd had en zijzelf hadden jaren achtereen die rotzooi van Delfzijl naar boeren in het noorden gebracht. Die gebruikten het als kunstmest en waren rijk geworden van de enorme oogsten en ze hadden hem altijd lachend begroet als hij met een volgeladen Freija in een haventje in de buurt was komen aanleggen, maar nu kenden ze hem niet meer of voelden zich te goed voor zijn ongeluk.

Zijn vrouw was bleek geworden, uitgemergeld. Om de dokter te betalen had hij zijn zeilen verkocht en daarna zijn prachtige mast, die toch geen functie meer had. Toen de veldwachter hem gelastte het haventje van het dorp te verlaten, bleek zijn motor vastgeroest te zitten. Hij moest naar een boer voor een trekpaard om de Freija weg te slepen. Ondanks zijn eigen ongeluk voelde de visser medelijden met de meid op de zandweg. Roddels hebben snelle benen.

De meid sloeg het jaagpad naast het kanaal in, dompelde zich in mist en angst. Haar voeten zochten aarzelend de voetstappen van trekpaarden en arm schippersvolk,  dat hangend in de singelband die modderduintjes opgeworpen hadden  waar ze zich afgezet hadden. Een kind was ze eigenlijk nog, kwetsbaar, beschadigd door haar slechtziendheid en meedogenloze treiterijen vanwege haar grote neus. Nu zouden ze een nieuwe aanleiding hebben, maar het ergste was de teleurstelling van haar vader en moeder, de goede en gezonde kinderen gestorven aan de Spaanse griep: God stelde hen zwaar op de proef.

Ze was misselijk, proefde gal op haar tong en vroeg zich af of ze niet zelf aanleiding had gegeven. Waarom zij? Waarom had hij geen mooi meisje genomen, geen meisje van zijn eigen stand? Wat had ze dan gedaan dat hij haar koos? Ze vreesde meer het oordeel van haar vader dan zijn riem; het lichaam zou immers wel helen en ze was een moment blij dat ze door haar slechte ogen zijn blik niet zou kunnen zien. Als ze zich nu eens in het water zou laten vallen? Nee, dat was een nog grotere zonde, dan zouden zijzelf en wat ze droeg beiden branden in het vagevuur. Die gedachte kon ze niet verdragen, ze zou alles moeten doorstaan wat nog op haar weg lag.

Een tak zwiepte onverwacht in haar gezicht en striemde over haar neus. Die neus. Ze hoorde het geknars en gepiep van riemen in dolboorden en het doffe gelijkmatige geplons van een naderende roeiboot. Ze bleef een moment aarzelend staan luisteren. Toen liep ze verder met het voorkind onder haar hart, op weg naar een leven vol slaag, hoon en schaamte.

© Lammert Voos

Jaagpad1931

Malterfoske (een novelle) 2

De familie woonde in de krappe stuurhut van de Freija die in de tocht lag die het buurtschap Malterfoske in tweeën sneed. Hoewel de tocht bedoeld was om water uit de polder af te voeren was hij met vuil en stront dichtgeslibd en verworden tot een stinkend slootje. De jongeman die haar vader zou worden keek door een beroete patrijspoort van de stuurhut van naar de gammele huisjes van de buurtschap. Alles was grauw, de huisjes waren opgebouwd met afgekeurde bakstenen en dakpannen, hadden lekkende daken en de paadjes waren een blubberpoel. Hier werden de simpelen en kreupelen gehuisvest waar niemand meer wat aan had. Ze leefden van wat de boeren en de kerk ze schonken, maar hun familie kreeg niets. Heit had eens te vaak geroepen dat hij socialist was en niets nodig had van kerk en baas. De mensen hier dronken te veel, waren lelijk en schurftig, hadden geen tanden meer in de bek, scheten en pisten waar ze stonden en sommige kerels zaten de hele dag met een zwakzinnige grijns aan hun leuter te trekken. Broers en zussen, vaders en dochters, ze deden het allemaal met elkaar. Sommigen leken schubben te hebben en stonken zo erg dat zelfs de ratten voor hen vluchtten.

Wij zijn veel te goed voor dit volk, dacht de jongeman, maar ze mochten kennelijk nergens anders liggen. Heit noemde de stuurhut kombuis, maar dat was volgens hem veel te veel eer voor het bedompte en vochtige hok. Het hout van het schip zwoegde en werkte en nooit was het helemaal stil. Beneden, in de kajuit, lag mem te hoesten en rochelen. Volgens heit kwam dat van de salpeter die ze vroeger vervoerd hadden, maar de jongeman dacht dat ze net zo goed de tering kon hebben, niemand die het wist. Heit was er mee aan, want mem wilde niks meer. Ze wilde niet weg, ze wilde niet uit bed, niet eten en ze sliep de hele dag door. Als heit niet aan het vissen of stropen was zat hij handenwrijvend aan de kleine tafel, een en al onrust en soms kreunde en gromde hij. Het was maar goed dat zijn broer er nooit was, die had altijd wel een adresje bij een jonge weduwe of ander vrouwvolk. De jongeman was beducht voor zijn broer met zijn vinnige opmerkingen en smerig lachje, terwijl anderen eerder bang voor hem waren, omdat hij er zo duister uitzag.

De jongeman was altijd bezig groente en aardappels en brandhout te regelen voor mem. Hij dacht dat als ze maar goed at dat het weer goed zou komen. Vis en haas waren niet genoeg voor haar, maar ook de karige aardappels, bieten, kool, siepels en wortels at ze nauwelijks van. Hij wist niet precies hoe hij aan die wetenschap kwam, maar hij hoorde dingen en dan onthield hij ze en bovendien kon hij lezen en als hij een boek of krant te pakken kon krijgen las hij die van voor naar achter en andersom en dan ook van beneden naar boven en onthield dan ook wat er in stond. En dan was er nog dat andere waar hij met niemand over sprak; hij had het gevoel dat er altijd iemand bij hem was. Een klein blond meisje met grote ver uit elkaar staande ogen. Hij zag haar vaak in zijn dromen, maar een enkele keer ook overdag. Soms pakte ze hem bij de hand en waarschuwde hem fluisterend, ze gaf hem raad. De jongeman wist donders goed dat als hij hier over zou praten ze hem op zouden sluiten. Maar hij wist ook dat hij niet gek was, dat hij het zich niet verbeeldde.

Hij had in het afgesloten ruim van de tjalk een kist staan met een voorraad aardappelen en groenten, maar hij zag als hij een luik opende ratten en muizen wegschieten en dat die zijn schatkist plunderden. Dus ruilde hij zijn beste schoenen, zijn enige, voor een stabijtje uit een goed nest van rattenvangers. Het was een grimmig zwart wit teefje met stug krulhaar dat hij iedere nacht in het ruim opsloot. Aangezien het beest haar eigen vreten ving was heit er niet op tegen en een tijdlang ging het goed tot hij op een ochtend de hond helemaal verstijfd en met geel schuim op de bek vond. Hij zorgde ervoor dat niemand zijn tranen zag en begroef het beest achter het pestbosje. Er zat niets anders op dan de inhoud van zijn schatkist te delen met ongedierte. Had hij gedacht dat zijn pech niet groter kon worden dan kwam hij bedrogen uit. De sloot vroor dicht en de vorst was zo streng dat hij dat zijn oren eraf zouden vriezen. Hij knoopte een vieze ouwe doek om het hoofd, want zijn pet was niet afdoende tegen de snijdende wind. Onder de doek en zijn kleren voelde hij de luizen krioelen, maar het ergste was dat hij op de akkers niets eetbaars meer kon vinden. Geen vergeten bieten of aardappels, geen hazen, zelfs geen muizen of ratten. Zijn voorraadje slonk en verrotte in het stijgende water onder in de tjalk. Het schip zonk langzaam, zoog zich vol ijswater en hoewel ze mem probeerden te overtuigen dat ze van beneden moest komen bleef ze gewoon liggen en toen ze zich er eindelijk toe konden zetten haar dan maar te tillen, was ze al kliedernat. Na een dag bloed opgeven stierf ze en nu huilde de jongeman wel openlijk.

‘Begraaf haar maar bij die rothond,’ gromde zijn vader, maar de jongeman zag hem huilen en bij de begrafenis naast de kerk, in het armengraf stond hij nog steeds te huilen en vloekte hij zachtjes voor zich uit. De broers stonden achter hem en hielden hem vast alsof hij ieder moment kon omvallen in de snijdende wind. De oudste keek nog zwarter dan anders. Vijftien jaar later zou de jongeman de vader van de vrouw worden. Ze zou geboren worden in hetzelfde buurtschap.

© Lammert Voos

 

Malterfoske (een novelle) 1

 

 

‘Denk je dat je klappen gaat krijgen?’‘Ik weet het wel zeker,’ antwoordt ze. Hij schuift zijn handen over de tafel, zijn vingers kruipen over de hare, bruusk trekt ze die weg. ‘Toe nou. Als hij nu binnen komt, vermoord hij ons.’ Ze kent haar kerel, zijn jaloezie en drift. Zijn broer heeft rossig haar en sproeten in tegenstelling tot haar kerel, die is in de zomer blond en ’s winters iets donkerder. De broer glimlacht. Waar haar kerel zich hoekig voortbeweegt, lijkt om te vallen, glijdt het lichaam van de broer soepel voort. Moeiteloos.

Ze gaat klappen krijgen, heeft met de schillenboer gepraat en schoonmoeder heeft het gezien. Ze mag niet met mannen praten, dient haar plaats te kennen. Zorgen voor de kinderen, schoonmaken en koken en nu en dan bijspringen op het land voor extra centen. En zij en de kinderen moeten stil zijn ’s avonds als haar kerel zit te leren. Hij wil vooruit in de wereld. Weg van hier. Weg uit het huis dat stinkt naar schimmel. Hij wil een wc met waterspoeling en hij wil warm water uit de kraan en dat is hier nog niet.

De broer wil haar altijd troosten. De broer is een rat. Maar ze laat het zich gebeuren. Het is fijn om ook met andere mannen te praten. Meer wil ze ook niet. Ze wil dat er ook naar haar geluisterd wordt, dat als ze iets zegt, dat niet beantwoord wordt met slaag. De broer slaat niet, hij fleemt en vleit, hij wil het liefst wat met haar foefelen, maar dat laat ze niet toe. De broer duikt op de gekste momenten op, hij lijkt altijd te weten wanneer haar kerel en de kinderen er niet zijn. Staat zomaar in de keuken. Is achter langs de molen geslopen, zodat ze hem niet vanuit de smederij kunnen zien.

Ze heeft nog een beschermer. De kastelein van twee meter die Corrie heet. Die naam past hem niet, maar dat zegt ze niet. Als haar kerel te ver gaat komt Corrie om hem op zijn plek te zetten. Trillend van machteloze woede laat hij zich dat aanleunen, want hij is wel degelijk bang voor Corrie, ondanks grote woorden over een bijl.

Ze zag haar kerel nog met een strak gezicht staan dralen voor de konijnenhokken. Ze keek achter het gaas en zag de vervilte vachten, etterende ogen en ze rook de apathie. Tranen blonken in zijn ogen, maar zwijgend pakte hij zijn bijl. Hij nam de konijnen bij de oren en nam ze mee naar de mestvaalt. Daar hief hij zijn bijl vijf keer. Vijf keer een hoog gilletje. Haar man sprak die dag verder niet meer. Als ze hem iets vroeg keek hij haar met betraande ogen aan. De bijl had gegild, de man gezwegen en ze was nog steeds bang voor de bijl.

‘Wil je een appel?’ vraagt de broer. Hij wrijft de groene vrucht glad op zijn corduroybroek. Ze neemt een zure hap. Hij danst inmiddels solo door het kleine keukentje, één hand voor de buik, één in de lucht, en draait pirouettes. De idioot, denkt ze, hij zou bang moeten zijn, maar hij is het niet.

© Lammert Voos

 

 

 

Tagebuch 16-8-2017

Laat ik er niet omheen lullen. Ik heb het moeilijk. Ik heb al meer dan een week niet fatsoenlijk geslapen, weer ontstekingen gehad, zere poten, krijg niets meer voor elkaar en ben somber. Ik vraag me steeds af wat de zin van alles is, terwijl ik al decennia lang weet wat het antwoord is. Maar omdat het antwoord voor iedereen anders zal zijn, beantwoord ik de vraag niet.

Ik ben weer overgevoelig, iedere brok informatie, ieder geluid, iedere prikkel, het komt allemaal als mokerslagen binnen. Over mokerslagen gesproken: begin deze week heb ik het oude granito aanrechtblad uit de keuken gesloopt. Aanvankelijk begon ik daarmee met de slijptol, ik had er speciaal een diamantzaag voor gekocht, maar het apparaat brandde door voor ik er ook maar één steentje uit had.

Ik had weken tegen deze klus opgezien, want ik kon maar niet bedenken hoe dat ding eruit te krijgen zonder alles er omheen te vernielen. Tillen leek onmogelijk, want het blad was loodzwaar, want immers van gewapend beton. Op internet las ik uiteindelijk dat het met een slijptol met diamantzaag zou kunnen lukken. Brandt dat klotending al na vijf minuten door.

Ik stond al in een witte wolk toen ik concludeerde dat de slijptol nu toch wel heel veel stof produceerde en dat het ook vreemd rook. Als de sodemieter trok ik de stekker uit het stopcontact. Ik was zo gefrustreerd dat ik mijn zelfbeheersing verloor, de moker pakte en onder het slaken van de meest afgrijselijk vloeken met een paar slagen het aanrecht eruit ramde. Wat adrenaline al niet vermag. Alleen de laminaatvloer is hier en daar beschadigd.

Ik haat mezelf na zo’n driftaanval. Ik wil dat niet. Het is ook lang geleden dat ik op zo’n manier mijn zelfbeheersing verloor. De buren zullen me ongetwijfeld ook gehoord hebben en zijn de laatste dagen nog vriendelijker dan anders lijkt het, of verbeeld ik me dat uit schaamte?

Die boosheid op mezelf slaat naar binnen en vreet energie. Bovendien word ik vervolgens boos op alles en iedereen: de imbecielen in de VS, de imbecielen in Noord-Korea, de imbecielen die het Wilhelmus weer op school willen, de imbecielen die ervoor zorgen dat een Armeens gezin zo wreed uit elkaar gerukt wordt, de imbecielen die hun principes in de uitverkoop gooien voor vier jaar macht.

Maar de grootste imbeciel ben ik natuurlijk zelf, en eigenlijk weet ik dat best. De mannetjesaap. De Bokito die als hij zijn zin niet krijgt net zo goed terug valt op geweld. En God, wat word ik moe van die draaimolen waar ik in zit, waar ik kennelijk maar niet uit weet te komen, waar ik zelf bovendien de motor van ben.

S zegt dat ik even een tijdje niets hoef te doen, dat ik moet uitrusten en dat is fijn, maar het is moeilijk rusten als je jezelf even niet zo leuk vindt en zo tekort voelt schieten. Toch is dat precies wat ik ga doen. Ik trek de deken over mijn kop en ben er even niet meer. Die keuken zal me even aan mijn reet roesten. Dat deden de leidingen toch al.

© Lammert Voos

IMG_20170814_104803

 

 

 

 

 

Lauwersoog

op de grens van twee talen aan
de eermalige binnenzee en buitengaats
bij een afslag die nergens naartoe leidt
golft de olie op de kabbeling, hangen
netten ranzig ruikend te drogen

aan de kade stalen roest en
in het dok, op de helling, duiken
visdiefjes tussen stokken gestoken
tussen groen bewierde basaltblokken
waaieren de slierten, deint maaswerk

boven slik dat droog staat bij laag water
de schepen, twee letters, twee cijfers
nu te koop schar, schol, schelvis en oesters
naast opslagtanks van Gulf en gas
tank ik bij: diesel, lucht, licht, ruimte

dat is me nu om het even

© Lammert Voos

Tagebuch 11-8-2017

IMG_20170810_144720Het is weer zover. Het kondigde zich deze week al eerder aan. Ik vond alles in de media flauwekul en had er even geen zin meer in. Slap gelul alles op de vierkante centimeter, mensen doen maar wat, ouwehoeren maar wat. Los van al het hijgerige nieuws heb je dan ook nog de reclame, het stompzinnigste fenomeen dat de mens ooit heeft uitgevonden. Kijk twee blokken achter elkaar en je bent voorgoed van de gedachte genezen dat de mens een superieur wezen is.

Er wordt ook verondersteld dat de mens een sociaal dier is, maar als dat zo is ben ik kennelijk een foutje van de natuur. Ik ben het liefst alleen, deuren op slot, ramen en gordijnen dicht, bordjes op de schutting waarmee ik doe vermoeden dat bij ongeoorloofd binnentreden u verscheurd wordt door een brute Cerberus. Blafstra zal u overigens allervriendelijkst begroeten, want dat is een hond, dus wel een roedelbeest.

Alleen S is welkom in mijn bubbel, want met haar is het soms prettig spreken, maar net zo goed prettig zwijgen. Een huwelijk waarin nooit prettig gezwegen wordt zal nooit standhouden. Het summum van wederzijds respect en vertrouwen speelt zich af in bed. We hebben het dan over het gezamenlijk lezen voor het slapen gaan, beter dan seks en doorgaans een stuk frisser.

Vandaag bereikte ik het punt waarop de deuren weer op slot gaan. We waren op een rondvaart met mijn schoonouders op het Lauwersmeer. Prachtig gebied, mooie rondvaart ook. Maar het lege gelul van andere passagiers, hun jengelende kinderen, hun lichaamsgeuren, de aaneenschakeling van clichés door de tourgids, die bovendien de echt interessante vogels miste, zoals de naast het schip vissende Zwarte Stern, maar die bleef dooremmeren over knobbelzwanen, zilverreigers, onzichtbare ijsvogels en over de al even onzichtbare zeearenden. Die beweerde dat Konick klein paard betekende. Én de koffie die waarschijnlijk gister al was gezet. Het was teveel.

Voor mij is de mens een mislukt experiment. Een experiment dat er op gericht is soortgenoten zo veel mogelijk te irriteren, treiteren, onderdrukken en in het uiterste geval uit te roeien. Ik zou zeggen, doe dat dan ook maar. In de jaren zestig en tachtig ging het al op een haar na mis en nu zijn er weer een stel gekken met idiote kapsels die een wedstrijdje wie heeft de langste doen, met als inzet de hele mensheid. Ik dacht dat we die suïcidale flauwekul achter ons liggen hadden. Maar nee hoor, dat stelletje flapdrollen begint vrolijk opnieuw.

Oorlogshitsers, klimaatontkenners, mensen die hun plastic overboord flikkeren vanaf een rondvaartboot in een natuurreservaat en die hun bek niet kunnen houden: één pot nat. Ik hoef die lui niet te zien en horen. Ik ben alweer een kuil aan het graven in de tuin en bonen en flessen water aan het hamsteren. Ik heb mijn buks zorgvuldig uit elkaar gehaald, gereinigd en gesmeerd. Munitie gekocht en bijl en mes geslepen. S en Blafstra mogen mee, in het ergste geval heb ik dan eiwit bij de hand.

Volgende week wordt het beton in de kuil gestort. Ik ben er helemaal klaar voor. Komt de nucleaire Holocaust er niet, dan heb ik tenminste nog een zwembad. Maar dan wel privé, ik wens alleen in mijn eigen pis te zwemmen.

© Lammert Voos

 

 

 

 

 

Tagebuch 4-8-2017

Zojuist keken we een documentaire over volwassenen met het Downsyndroom in Chili. De titel ben ik al vergeten, want zelf heb ik een lichte vorm van een syndroom, ontdekt door een Rus wiens naam me ook even niet te binnen schiet. Ik noem mensen met het Downsyndroom altijd mongolen, niet uit disrespect, maar omdat het gemakkelijker bekt en de meeste van deze mensen mij hebben laten weten daar geen enkel probleem mee te hebben. Ik kan me een man herinneren die verontwaardigd uitriep: ‘Ik ben toch geen mongool!’ Vervolgens even nadacht en even luid verder ging: ‘Oh ja, toch wel!’ Om vervolgens in een hysterisch lachen uit te barsten.

Ik heb geregeld met mongolen te maken gehad. Ik ben namelijk als vrijwilliger een aantal jaren als chauffeur/ kok/begeleider met een vakantieorganisatie voor verstandelijk gehandicapten mee geweest. Die laatste term zal ook niet politiek correct zijn, maar ik heb de pest aan verhullend en klef taalgebruik. Uitdaging zal ik nooit uit mijn bek krijgen, want met die term pretendeer je ook dat deze mensen een volwaardige plaats in de samenleving hebben, met gelijke kansen, gelijke rechten en plichten en dat is gewoon niet zo.

Mongolen, verstandelijk gehandicapten in het algemeen, heb je in allerlei soorten en functioneren op allerlei niveaus. Er zijn mensen waar je niets aan merkt, totdat je ze vraagt iets op te schrijven of iets te lezen. Ik heb het gezien: de frustratie, de onmacht van mensen met een hoog niveau, ook mongolen. Maar feit blijft dat er een groep is die niet voor zichzelf kan zorgen, geen verantwoordelijkheid aan kan en dan moet je een balans zien te vinden: waar begint ondersteuning en verzorging en waar sla je door in betutteling? Want ieder mens wil het zelfde: verbinding, vrienden, eten, drinken, seks, een toekomstperspectief, het recht op zelfstandigheid.

De mongolen in Chili werd dit eigenlijk alles ontzegd door hun familieleden, de kerk wilde liever niet mee werken aan huwelijken en de wet verbood huwelijken tussen mongolen. Verbijsterd zaten S en ik er naar te kijken. De mongolen in kwestie mochten wel voor een hongerloontje werken, maar recht op zelfbeschikking was er niet bij. Dat leidde dan ook tot veel verdriet en eenzaamheid.

Ik vind het pijnlijk om te zien dat er zo veel bezuinigd wordt op onze zorg. De mensen in de zorg werken zich de blubber voor hun cliënten. Ze worden doorgaans alleen in het zonnetje gezet als er iets vreselijk misgaat en dat is absoluut niet terecht. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid in deze: een stem op een bezuinigingspartij is een stem tegen de zwakkeren in onze samenleving. Marktwerking is een eufemisme voor bezuiniging. Ik wil de situatie hier nog niet met die in Chili vergelijken, maar het is wel uitkijken geblazen.

© Lammert Voos

Downenoud 2

 

 

 

 

 

Tagebuch 1-8-2017

 

 

Vanavond is onze nieuwe aannemer langs geweest en nu kan ik natuurlijk weer niet slapen. Hij had een offerte voor een aantal kozijnen en dubbel glas en dat zag er goed uit. Er viel van ons beiden een last van de schouders. Het gaat goed komen. We hebben inmiddels ook een offerte voor de zonnepanelen en een nieuwe ketel en ook dat lijkt goed te gaan komen.

Verbouwingen vallen altijd tegen, weet ik inmiddels, zowel financieel als qua tijd. Ik zag het bij mijn dochter, ik zie het regelmatig op televisie en ik zie het nu ook bij ons gebeuren. Complicerende factor is wel dat ik na de buikgriep weer een fijne ontsteking kreeg en dus nauwelijks kan lopen. Ik wil niet klagen, nou ja, eigenlijk wel, dus ik doe het toch: maar de stevige klussen liggen nu weer stil.

Maar dat geeft ook niet, je moet niet alles tegelijk willen aanpakken, want dat leidt alleen maar tot chaos. Beetje jammer dat mijn hoofd niet mee wil, die doet wel alles tegelijk en laat zich niet remmen. Dat komt nu ook wel van de prednisonkuur die onrust als bijwerking heeft.

Het heeft ook wel voordelen, die onrust. Ik ben tijdens de slapeloze nachten weer aan het werk gegaan aan ‘Canisius’ en ook aan een novelle waar ik nog geen titel voor heb. Als het ratelt, dan ratelt het ook goed en laat ik daar maar gebruik van maken. Ik hoop ooit nog eens een boek uit te geven met een schilderij van Malevich als omslag. Zoals The Reaper on Red of Three-Woman- figures.

U ziet, mijn literaire ambities zijn beperkt, het boek moet er mooi uitzien en dan ga ik ervoor. Zo doe ik het ook met ons huis: als er ramen in zitten en we bovendien een dak hebben, dan gaan we ervoor.

Dan ga ik nu om 00 uur59 weer mediteren om in slaap te komen. Ik herhaal: i have nothing to do, have nowhere to go, noone to be. Dat laatste lukt me doorgaans vrij aardig. Maar mooi dat ik toch niet slaap.

© Lammert Voos

 

 

 

 

 

Tagebuch 28-7-2017

Ziek en niet zo’n beetje ook. Ik dacht aanvankelijk dat het oververmoeidheid en stress was, maar nee, er heerst buikgriep en ik heb het. Ik zal u de leegloopdetails besparen, maar nu, op de vierde dag, de dag dat de verbetering inzet, hou ik eindelijk weer wat voedsel binnen. Ik heb leukere diëten gevolgd.

Ben zojuist even bij mijn overbuurman, de campinghouder, geweest. Dat is een gouden kerel, die altijd alles voor je over heeft. Ook mijn buren links en rechts zijn een verademing vergeleken bij die in onze vorige woonstede. Het zijn gewoon ontzettende aardige mensen. Helaas gaat het jonge stel naast ons in het najaar weg. Ze zijn een huis aan het bouwen in Stad Grunnen, ook met het idee dat hun dochtertje het daar wat gemakkelijker zal krijgen qua school. Ik snap dat wel. Er zijn hier niet veel openbare scholen (meer) en hoewel ik Zoutkamp erg leuk vind, is het ook een erg rauw dorp. Ik weet nog dat mijn pa vertelde dat hij en mijn ooms, ook van moeders kant, vanuit Zuurdijk gingen knokken in Zoutkamp.

Afgelopen zaterdag was hier een loodgieter/ dakdekker voor de inspectie van het platdak, of er zonnepanelen op konden (ja) en of het vernieuwd moest worden (nee) en die vertelde dat het nog precies zo ging. Dorp tegen dorp. De jongens uit het Westerkwartier kwamen hier en de Zoutkampers zochten hen ook wel op.

Mijn neef vertelde ook al dat iedere festiviteit bij hen in Surhuisterveen gepaard ging met knokkerij. In die hoek van het land was men sowieso berucht. Als we vroeger naar Harkema moesten te voetballen leverde dat steevast slapeloze nachten, sterke verhalen en bebloede neuzen op.

Ik dwaal af, maar ik heb een excuus: ben zo slap als een vaatdoek en doe niets anders dan slapen. Wellicht heb ik daarom behoefte aan wat stoere mannenverhalen. Ik heb vandaag vijftig meter gelopen en het is weer helemaal op. Ik kwam trouwens Tyson de Boxer van de buren tegen. Dat is een hond om rekening mee te houden. Notoir dominant en daardoor niet altijd even betrouwbaar. Tot de verbazing van de buurvrouw ging hij tegen me opstaan en likte hij mijn hand. Honden vinden mij leuk of zijn bang voor me.

Dat is met mensen ook vaak het geval, hoewel daar momenteel weinig aanleiding voor is. Voor geen van beide.

© Lammert Voos

slag_om_zoutkamp

 

 

 

 

 

Tagebuch 24-7-2017

‘Als je er gewoon geen tijd meer voor hebt, heet het dan ook writer’s block?’ Dat schreef ik voor de grap op FaceBook, maar er zit een kern van waarheid in. Ik ben op het moment zo druk met allerlei praktische zaken in en om het huis dat ik niet meer de energie op kan brengen om te schrijven en bovendien lukt het me nauwelijks om te lezen. Mijn hoofd dwaalt steeds af naar de volgende klus.

Zo zit ik hier in mijn beoogde werkkamer in een hoekje tussen de rotzooi dit epistel te tikken. Ik was van plan een aanvang te maken met inrichten. De boekenkast in elkaar zetten. Dozen wegwerken. Het bureau op een betere plek zetten. Maar ik loop het kamertje binnen en de moed zakt me in de schoenen. De keuken moet opgeknapt. Een andere wasbak in de douche. De goten van het voorhuis moeten schoongemaakt. En ik heb vandaag ook nog geen drukje gedaan.

Writers do not live one life, they life two. There is the living and there is the writing. Dat schreef Anaïs Nin. Ik voel nog steeds een zekere gene om te zeggen dat ik schrijver ben. Komt dat omdat ik een te verheven beeld van het fenomeen heb? Ik ken intussen aardig wat schrijvers persoonlijk en de meesten worstelen net zo erg als ik en zijn doorgaans aardige mensen en allerminst godenzonen of dochters. Zelfs als ze tamelijk briljant zijn, zijn de meesten van hen collegiaal en bescheiden tegen deze gewone sterveling. Uiteraard heb je er ook wel stomvervelende mensen tussen zitten, maar waar heb je die niet? Waarschijnlijk speelt mijn minderwaardigheidscomplex me nog vaak parten.

Een vriend van me heeft me uitgenodigd voor zijn boekpresentatie eind augustus in Amsterdam, maar daar lig ik nu al wakker van. Hij is een vriend, dus ik heb wel iets voor hem over, maar ik heb daar volgens mij niks te zoeken. Sociaal ben ik niet; op zulke gelegenheden klap ik meestal dicht en als ik dan iets zeg is het ongelukkig getimed of erg bot. Dat laatste bedoel ik nooit zo, maar het vliegt me altijd zo ongelukkig de bek uit

Maar goed, met dit stukje heb ik het opruimen van de kamer weer een half uurtje weten uit te stellen en dat is ook een talent op zich. Ik typ nog één regel en dan ga ik beginnen. Nadat ik dit stukje op mijn blog geplaatst heb. En het gedeeld heb op de sociale media. Nee, dan ga ik echt beginnen. Maar eerst moet ik nog even poepen.

© Lammert Voos

IMG_20170724_100439