Henry, of het einde van de wereld (een feuilleton) #5

Ik stuitte op een lange rechte weg. Die ging dan wel naar het westen, maar hield een risico in. Meer mensen zouden die weg gebruiken en ik was een enorme mensenhater, vroeger ook al. Maar ik wilde afstand creëren tussen de oase en mezelf, want ik was er beslist niet zeker van dat de knager met de twee vingers niet achter me aan kwam. Dat was niet gebaseerd op weten, maar op voelen, en mijn intuïtie had me al vaker gered. Ik liep de weg af in een stevig tempo, maar niet zo stevig dat het me uitputte. Ik vroeg me af hoe het kon dat de kannibalen zo sterk degenereerden en zo agressief werden. Er leek weinig menselijks meer aan ze te zitten, in tegenstelling tot de mensen die liever honger leden dan soortgenoten op te eten. Toen herinnerde ik me iets uit het verleden: de gekkekoeienziekte en Creutzfeldt-Jacob. Jaren geleden had men aan vee voer met dierlijke eiwitten gevoerd en die dieren waren er ziek van geworden. Er vielen gaten in hun hersencellen en ze werden agressief. Uiteindelijk stierven de beesten allemaal. Dat vond ik wel een geruststellende gedachte, dat het kwaad zichzelf zou uitroeien. Ik meende me te herinneren dat kannibalen op Nieuw-Guinea aan dezelfde ziekte geleden hadden.

Mijn gedachtestroom werd onderbroken door een glinsterend object op de weg. Het was een auto en ik herkende hem. Het was de auto die we aan bij de berg hadden gezien voordat we bijna verzopen waren. Gezien de geur die uit die richting kwam dacht ik niet dat ik veel te vrezen had, dus ik liep er naartoe. Ik hoorde een raspende ademhaling. De man die ik eerder gezien had lag tegen het linkervoorwiel. In zijn linkerhand hield hij een pistool, zijn rechter was zwart en groen en er borrelde pus uit een grote wond in zijn onderarm. ‘Ah, daar hebben we onze gluurder uit de bergen,’ grijnsde hij. Ik zweeg een wijle. ‘Je hebt ganggreen, je bent er geweest. Wie heeft dat gedaan? ‘Mijn dochter, de vrouw die je me hebt zien doodslaan, ze stak me onverhoeds met een schroevendraaier’ ‘Waarom?’ ‘Ze was psychotisch en had geen medicijnen meer. Ze dacht dat ik een monster was. Ik sloeg uit reflex. Te hard. Misschien had ze gelijk. De tranen biggelden over zijn wangen. ‘Ik wilde niet dat ze opgevreten werd door beesten of  lijkenvreters, daarom heb ik haar begraven.’ Ik liet me naast hem in het warme zand zakken. ‘Ik wil niet alleen sterven. Blijf je bij me tot ik dood ben?’ Ik knikte.‘En begraaf je me daarna?’‘Natuurlijk.’ Hij gaf me het pistool.‘Er zit nog wat kogels in, misschien heb je er wat aan.’ Ik stak het ding in mijn rugzak. Eén kogel voor mezelf? Maar nu nog niet. Het werd donker en ik viel in slaap.

Toen ik wakker werd was de man dood. Ik doorzocht de auto en vond een oude kaart, die nu nutteloos was. In het handschoenenkastje lagen een paar foto’s. Een man, een vrouw, een meisjeskind; ze leken gelukkig. Ik keek naar de man. Die ging ik echt niet begraven. Als de knagers kwamen hoopt ik dat ze ziek van hem werden, dat zou ze weer wat ophouden. Ik liep verder de weg af.

© Lammert Voos

5

Advertenties

Henry, of het einde van de wereld (een feuilleton) #4

Ik woog het mes in mijn hand. Het voelde goed. Ik had eerder een dergelijk mes gehanteerd toen ik stage moest lopen in een slachthuis. Ik wilde kok worden en het was noodzakelijk om precies te weten wat je met een mes kon doen. Ik wist wat ik met een mes kon doen. Ik prefereerde messen boven vuurwapens. Vuurwapens hadden veel onderhoud nodig en blokkeerden als ze droog werden. Bovendien viel het niet mee aan kogels te komen. Dit mes was van het hardste staal en gemakkelijk te slijpen. Je kon het niet werpen, maar het ging bijna overal doorheen. Het was precies wat ik nodig had. Ik rook de plunderaars voor ik ze zag. Ze kwamen inderdaad ergens achter mij vandaan. Erg stil waren ze niet. Erg slim waren ze ook niet, want ze gingen rechtstreeks op het kampvuur af, zodat Samantha met haar geweer een prima uitzicht op ze had. Ik had haar opdracht gegeven op de meest linkse man te schieten en ik zou de meest rechtse grijpen. Wat er daarna zou gebeuren viel nog te bezien.

Het schot daverde over de woestijn en de linker man leek door een onzichtbare moker getroffen en tuimelde meters naar achteren. De andere twee schreeuwden en zo kwam het ook dat ze niet hoorden dat ik achter ze kwam sluipen. Ik legde mijn hand op de mond van de rechter en duwde mijn mes vlak boven zijn adamsappel zijn schedel in. Dat was niet de snelste manier, maar wel de meest pijnlijke en dat wilde ik ook. Nu pas merkte de middelste me op. Hij had lang haar en gevijlde tanden. Zijn kleren roken afgrijselijk en het duurde even voor ik me realiseerde dat het mensenhuiden waren. Hij droeg een knuppel met grote spijkers die hij naar me zwaaide.  Hij sloeg mijn mes uit mijn hand. Als hij me raakte zou ik op zijn minst aan bloedvergiftiging sterven. Er daverde nog een schot over de vlakte. Die verrekte Samantha had het risico genomen om mij te raken, ze schoot immers met hagel…maar per ongeluk werd de knuppel uit zijn hand geblazen. Bloed spoot uit zijn hand, want er waren een paar vingers meegekomen. Hij brulde als een gewond beest en stortte zich boven op me. Ik sloeg wild om me heen en voelde zijn neusbeen kraken. Omdat het hem weinig leek te deren stootte  ik mijn knie in zijn kruis. Naar adem happend kroop hij uit de lichtkring. Kennelijk was hij toch niet zo dom, want hij was als bij toverslag verdwenen. Ze hadden gewoon niet op tegenstand gerekend.

De volgende ochtend begroeven we de plunderaars in stilte. Hun kleding…het was zo afschuwelijk dat we er niet aan wilden denken.  ‘Nou, so much voor ons partnerschap,’ bromde ik. ‘Hoezo?’ ‘Je was bereid me zonder meer te offeren, juffie. Denk je echt dat ik met jou wil optrekken terwijl je dat geweer hebt?’ Ze ontkende niets. ‘Waarom blijf je niet gewoon hier bij ons?  ‘Ik adviseer je Ezel voor de kar te spannen en te maken dat je wegkomt.’ ‘Maar hier is water.’ ‘Precies. En voedsel voor die knaagbekken en die komen echt terug, reken daar maar op en dan met heel wat meer man. Over een uur vertrek ik, je mag een stuk mee, maar zodra we op een plek zijn waar jullie je kunnen verschuilen laat ik je achter.’ ‘Wij blijven.’

Ik vertrok een uur daarna met mijn mes, een veldfles water, wat rijst en een pannetje in een nieuwe rugzak. Samantha lag in de woonwagen en wilde geen afscheid nemen. Mark mocht van haar niet met me mee en hij luisterde naar haar. Dus zij zou verantwoordelijk voor zijn dood zijn en niet ik. Hij huilde. Hij zou blijven staan tot ik uit het zicht verdwenen was, wist ik, maar ik keek geen enkele keer om.

© Lammert Voos4

Henry, of het einde van de wereld (een feuilleton) #3

We liepen nog uren achter Ezel aan en net toen ik dacht dat het beest ook niet wist wat het deed zag ik in de trillende lucht in de verte groene bomen. Was dat een luchtspiegeling? Maar dichterbij gekomen ontwaarde ik een woonwagen in zigeunerstijl en een paar tenten rond een kleine, heldere poel. Kennelijk was dit een bron, anders was de poel allang opgedroogd. We werden opgewacht door een vrouw met een jachtgeweer, dat moest dan wel Samantha zijn. Ik vond haar in ieder geval leuk om te zien. ‘Zo, zijn jullie daar weer?’ begroette ze Mark en Ezel. Toen richtte ze het woord aan mij: ‘En waar hebt u onze twee notoire weglopers opgeduikeld?’ ‘Nou, eigenlijk hebben ze mij meer opgeduikeld.’ Stamelde ik terug. ‘Waar is de rest?’ kwetterde Mark. ‘Ontvoerd of dood.’ Nu zag ik het pas. Naast Samantha bestond het gezelschap nog uit drie jongemannen met het Downsyndroom. Ze zag me kijken. ‘Die heb ik gered uit een gesticht, we waren eerst met meer, maar iedere nacht komen er rovers. Eerst namen ze de meisjes mee, maar nu ook de jongens. En ik ben maar alleen, ik kan ze niet gaan opsporen.’ ‘Dat heeft ook geen zin. Waar ze die kinderen ook voor gebruiken, dat kunnen ze niet meer en dus komen ze terug.’ Samantha slikte en een traan biggelde over haar wang. ‘Ik heb al eens een rover doodgeschoten, maar het zijn er te veel. Kun je me helpen?’ Ik aarzelde. Deze mensen waren ten dode opgeschreven. Iedere vorm van zwakheid werd afgestraft. En naast Samantha waren ze zwak. Ik keek naar de dikke jongen die bij de bron stond. Zijn tong lag op zijn onderlip. Met zijn handen maakte hij gebaren naar de lucht en daar keek hij gebiologeerd naar. ‘Ik help je.’‘Misschien kunnen we partners worden.’ Ik wist niet precies wat ze suggereerde, maar als er iets van seks om de hoek zou komen kijken zou ze bedrogen uitkomen. Ik was vies van mezelf en vies van haar, ondanks dat ze best aantrekkelijk was. Voor ik van huis vertrokken was, had ik hem al niet meer omhoog kunnen krijgen. Ik was compleet platgeslagen door alle geseksualiseerde reclames en door de porno die steeds gewoner leek te worden. Machtige mannen misbruikten vrouwen en de vrouwen die er tegen in het geweer kwamen werden genadeloos afgebrand. Er waren ook veel vrouwen die er gewoon aan meededen. Het leek wel of er nooit een emancipatiegolf bestaan had. Alles draaide om kortstondige roem en geld.

Ik was destijds naar het oosten getrokken en had in Polen op een boerderij gewerkt, ver van de bewoonde wereld. Maar niet zo ver dat ik niet meer meekreeg wat er op de wereld gebeurde. Oogsten mislukten massaal door droogte of vernietigende regenstormen. Bossen langs de hele poolcirkel hadden in brand gestaan, waardoor roetdeeltjes neersloegen op de Noordpool en het ijs daar nog sneller smolt. Toen werd al het vee ziek en stierf massaal aan virussen die onbehandelbaar bleken. Er brak hongersnood uit, vooral in de stedelijke gebieden. Ik wist dat mijn vrouw haar eigen groente in een kas verbouwde, maar maakte me desondanks ernstige zorgen. Vervolgens brak er ebola uit op het noordwestelijk halfrond en miljoenen mensen stierven. Grote vluchtelingenstromen trokken naar Scandinavië en naar het oosten waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden in vluchtelingenkampen woonden tussen ratten en hun eigen stront. Ik ging tegen de stroom in, ik moest en zou naar huis, maar het ergste moest nog komen. Er brak een cyberoorlog uit tussen enerzijds Rusland, China en Noord-Korea en anderzijds de VS en Europa. Alles ging op zwart. Niets deed het nog. Er was geen elektriciteit meer, geen informatie. Er braken gevechten uit tussen plunderaars in de steden en dorpen. Ondertussen werd het steeds heter. Dat deel van mijn persoonlijkheid dat ik altijd had proberen te onderdrukken had ik nu hard nodig om te overleven. Ik was geen onschuldig lam.

‘Luister,’ zei ik tegen Samantha en ik ontvouwde haar mijn plan. Tegen de schemering groef ik een kuil in het zand. Mark keek geamuseerd toe. Ik had een scherp mes van Samantha gekregen. Ik trok een stuk canvas over me heen en beval Mark om zand over me heen te scheppen en wel zo dat ik het zicht behield op de bron en het kamp. Toen beval ik hem om te verstoppen, hetgeen hij giechelend deed. Ik had inmiddels van Samantha gehoord dat hij ook in de inrichting gewoond had, maar ze wist niet precies wat er met hem was. Op bepaalde niveaus leek hij volwassen, maar hij kon vervallen in kinderlijk gedrag en was soms enorm koppig. Hij was inmiddels al drie keer weggelopen en ook op raadselachtige wijze weer opgedoken. Het werd nu donker op het kampvuur na. Ik reguleerde mijn ademhaling en spitste mijn oren. Volgens Samantha zouden de rovers achter mij opduiken. Het was maar te hopen dat ze geen verrekijkers hadden, ik was nog nooit geroosterd en zou dat graag zo houden.

© Lammert VoosolQMF0c

Henry, of het einde van de wereld (een feuilleton) #2

Nu je me bij mijn naam genoemd hebt. We hadden een bejaarde buurvrouw die duidelijk niet vooraan had gestaan toen Onze Lieve Heer uitgedeeld had. Ze lag overhoop met het hele dorp, want ze deed ook hele rare dingen. Vuilnis bij andere mensen dumpen, planten uit andere mensen hun tuin stelen. Uit onze tuin stal ze een trapje en ik liet het maar zitten. Ze hield kanaries in een grote volière, maar die gingen dood door bloedluis, want het dak was doorgezakt en lekte. Ik trachtte het voor haar dicht te kitten, maar de vogeltjes bleven maar dood gaan. Ze gaf mij daar achter mijn rug om de schuld van. Ik liet het maar zitten. Als ze weer eens van haar fiets gesodemieterd was, maakte mijn vrouw haar wonden schoon en verbond en bepleisterde haar. Dit zou nog eens verkeerd aflopen, wisten we, maar dat deed het niet. Als er iets te vieren viel hing ik de vlag voor haar op en ik haalde die er ook weer af. Toen haar televisie het niet meer deed trachtte ik die te repareren, maar dat lukte me niet. Ik kon haar telefoon evenmin repareren. Ze vertelde achter mijn rug om dat ik die apparaten vernield had. Ik liet het maar zitten. Op een dag zette ze keiharde marsmuziek aan. Dat duurde uren en ik ging naar haar toe of het wat zachter mocht. Vanaf die dag draaide ze iedere dag harde marsmuziek en toen ik weer bij haar aanbelde begon ze luidkeels tegen me te mopperen. Ik verloor mijn zelfbeheersing en begon tegen haar te schreeuwen en schelden en haatte mezelf daarna. Maar ik haatte haar nog meer. Toen ik hoorde dat ze van de trap gevallen was en een nacht machteloos in de hal had gelegen, want van alles en nog wat gebroken, wenste ik dat ze haar nek gebroken had. Diezelfde dag pakte ik mijn kleren in een rugzak en liet mijn vrouw en dochters achter. Ik had Mark ook dood gewenst en hij had mijn leven gered. Hij had me met speels gemak uit het luik getrokken en was van rots naar rots gehuppeld tot hij bij een hoge richel in de rotswand gekomen was waar we veilig waren voor de watermassa. Het boerenhuis was vroeger waarschijnlijk wel op een veilige plek gebouwd, maar nu alles veranderd was, was diezelfde plek juist levensgevaarlijk. Nu zat ik hier op die richel met een idioot die honderduit kwetterde, terwijl de regen over ons heen gutste en het water langs onze voeten spoelde. Hij leek zich van geen gevaar bewust en mochten we dit overleven dan was ik nu wel moreel verplicht om hem tot het einde der tijden op sleeptouw te nemen en voor hem te zorgen.

Moreel verplicht…Ik was juist bij mijn vrouw en kinderen weggegaan omdat ik niet aan de hoge standaard van mijn vrouw kon voldoen. Ik was immers tot haat is staat, ik was tot geweld in staat en hoewel we vegetarisch aten ging ik geregeld stiekem naar de cafetaria om een bal gehakt te eten. Mijn vrouw wilde een elektrische auto, maar ik had liever een benzineslurpende patserbak. We hadden dan wel zonnepanelen, maar dat vond ik vooral fijn vanwege het geld dat die opleverden, zeker toen het steeds warmer werd. Mijn vrouw zag het goede in de mens en ik had dat allang opgegeven. Ik was sarcastisch en cynisch en wantrouwde ieders motief. Nu was dat ingegeven door slechte ervaringen en oorlog en dus was dat niet zo vreemd, maar mijn vrouw kon daar niet aan wennen. Ze bleef me maar corrigeren. Ze gebruikte ook altijd de kinderen als argument. We zouden ons bewust moeten zijn wat we ze nalieten, zei ze vaak. Ik wist wat we ze nalieten: chaos, onrechtvaardigheid, een constante blootstelling aan onrechtvaardigheid en het recht van de sterkste. Ik hield heel veel van mijn dochters, maar vroeg me wel af of we ze wel hadden moeten verwekken. Was dat niet een uiterst egoïstische daad geweest van twee verliefde mensen? Verliefdheid lijkt op een psychose, had ik weleens gelezen en misschien was dat ook wel zo. Was Mark soms psychotisch of lag er een dieper probleem ten grondslag aan zijn vreemde gedrag? Soms dacht ik dat hij autistisch was, maar dat klopte ook niet helemaal en ik had toch aardig wat ervaring in het werken met autisten. Een jongeman die zat te zingen terwijl hij bijna verzoop. Een jongeman die zat te zingen terwijl hij moederziel alleen op een zandduin zat, midden in de woestijn, zonder voedsel, zonder water, zonder schaduw.

De regen nam af en het water begon langzaam te zakken. We waren helemaal overdekt met rode modder dat van de bergwand over ons heen gespoeld was. Die stromen droogden nu op en de regen spoelde ons weer enigszins schoon. De stroom verwerd tot een iel beekje, de regen tot driezel en toen viel alles weer droog. Onze kleren voelden klam en de bergen dampten van het vocht. Maar de hitte veranderde alles weer in een oven. Ik rook mezelf. De caravan was weggespoeld, samen met mijn rugzak, laatste eten, kompas en waterfles. Van het boerenhuis en de schuur stond alleen het fundament nog tegen de bergwand. Het was nu zaak zo snel mogelijk terug op de vlakte te komen, want daar had je niet zulke regenstormen en onweersbuien, daar stierf je van hitte en dorst. Maar een kleine kans is altijd beter dan helemaal geen kans. Dus maande ik Mark met mijn laatste energie me te volgen. Kennelijk was hij toch moe geworden, want hij sjokte lusteloos achter me aan. Maar mijn benen deden ook pijn. Mijn benen deden eigenlijk altijd pijn, maar ik moest en zou door. Ik had nog iets goed te maken. We daalden de bergkam af, stenen en grint rolden langs onze voeten mee naar beneden. Ik vreesde door het stof mijlenver te zien te zijn, maar er bewoog zich helemaal niets op de vlakte behalve de lucht die heet glinsterde boven de zandduinen. Een schrale, hete wind deed mijn ogen tranen en mijn lippen uitdrogen. En we hadden niets te drinken. Ik was lichtelijk wanhopig, had geen creatieve oplossing. Sodemieter ook maar op met je out of the box! The box was een enorme woestijn die we zonder proviand en kompas moesten doorkruisen. Een enorme doodskist. We zwoegden duin op en zeulden duin af en er leek maar geen einde aan te komen. Mark liep evenwel vrolijk te zingen in een onverstaanbare taal. Het leek op een IJslandse band die ik vroeger wel eens gehoord had.  Maar plotseling stopte hij. ‘Daar staat Ezel!’ riep hij. Ik zag evenwel niets. ‘Ken jij Ezel niet? Wat sneu.’ Toen zag ik heel in de verte het stipje. We liepen er naartoe en het was inderdaad een ezel. ‘Hoe heet hij?’ vroeg ik terwijl ik het dier zijn oren streelde. ‘Ezel! Dat zei ik toch!’ Mark danste om het dier heen. ‘Hij is ons komen ophalen en brengt ons nu naar Samantha.’ ‘Wie is Samantha?’ ‘Ken jij die ook al niet? Nou, jij gaat Samantha heel leuk vinden.’ De ezel draaide zich om en sjokte weg en wij volgden hem, op weg naar Samantha, die ik heel leuk zou vinden.

© Lammert Voos

download

Henry, of het einde van de wereld (een feuilleton) #1

Ik gaf Mark de verrekijker. ‘Kijk eens wat je ziet?’ ‘Een, man, een vrouw, een auto.’ We lagen op een helling op de vlakte uit te kijken. Ik was blij met mijn hoed. Mark hoefde geen hoed, maar hij was dan ook niet kaal. ‘Moeten we niet naar ze toe?’ vroeg hij. Mark was naïef. Mark geloofde in het goede van de mens. Het leek maar niet tot hem door te dringen dat de mens tot alles in staat was, zeker als zijn overleving op het spel stond. ‘Kijk nog eens, rustig Mark’ maande ik hem. Hij was even stil. Ik had het al zonder verrekijker gezien, de glinstering in de zon was onmiskenbaar.

‘Godver, hij slaat de vrouw! Godver, hij heeft een vuurwapen!’ Hij wilde opspringen. Ik trok hem aan zijn nekvel weer naar beneden. Hij piepte.

‘Dat is een vuurwapen, Mark. Zo’n ding dat op afstand doodt. En wat hebben wij? Een bijl en een mes en daar heb je op een paar honderd meter afstand niet zoveel aan.’ Ik pakte hem de verrekijker af.  ‘Je kunt beter niet kijken,’ zei ik tegen hem en ging met de rug tegen het rotsblok zitten waar we ons achter verborgen. Gelukkig konden we de mensen beneden niet horen en zij ons hopelijk ook niet. ‘Ga maar wat slapen,’ zei ik, ‘ik hou wel de wacht.’ De jongen bromde verongelijkt en draaide zich in zijn deken. Al snel hoorde ik zijn regelmatige ademhaling. Ik was jaloers op zijn slaap, ik dacht niet dat ik zelf ooit weer zou kunnen slapen.De volgende ochtend was er niets meer te zien op de vlakte. ‘Gaan we kijken?’vroeg Mark. ‘Ja, maar we maken een omtrekkende beweging. Mocht hij ons gehoord hebben, dan verwacht hij dat we van deze kant komen.’

We namen de tijd. We slopen eerst een kilometer op de helling naar het westen. Er was nergens schaduw en de bomen die op de helling stonden waren reeds lang geleden verdord en nog slechts staken.  De zon daverde als een diamant op onze hoofden. Mijn hemd was al snel weer doorweekt van het zweet en ik hoorde mijn longen piepen. De jongen leek nergens last van te hebben, maar hij kon dan wel fitter dan ik zijn, zonder mij zou hij het nooit overleven in deze wildernis. We tijgerden terug naar het oosten. Nu en dan draafden we een stukje met gekromd bovenlichaam. Ik zag direct het stukje omgeploegde zand. Nu zag Mark het ook. Ik ging er met mijn rug naartoe zitten en hoorde de jongen graven. Toen hoorde ik hem braken. ‘Kom,’ zei ik, ‘we gaan onze spullen van boven halen en dan verder. Hier valt verder niets te halen.’ Mark huilde. Niet voor het eerst en het zou ook niet voor het laatst zijn.

We volgden de bedding van een drooggevallen rivier die langs de rand van de rotsachtige heuvel liep. Die verschafte ons soms een beetje schaduw.  Ik lette goed op of ik geen sporen van voorgangers zag. Geen voetstappen, geen wielsporen, niets. Zo had ik het graag. Mensen wilden immers altijd delen en wij hadden heel weinig om te delen, met het beetje water en voedsel dat we hadden zouden we het hooguit nog twee dagen volhouden. Mark liep een paar meter voor me uit en dat kwam me goed uit, hij zou een eventuele eerste klap opvangen. Ik had hem een week geleden bovenop een zandduin gevonden, verdwaasd om zich heen kijkend. Hij vertelde dat hij bij een groep rondtrekkende mensen uit het oosten had gehoord, maar hij was die ochtend alleen op het duin wakker geworden. Ze hadden hem achtergelaten en ik snapte wel waarom, hij was een blok aan het been, iemand die wel een aanslag op je voorraden pleegde, maar niet van nut was. Hij kon niets. Ik vermoedde dat hij de groep meerdere malen in moeilijkheden had gebracht.  Helaas had ik de moed niet om hem achter te laten of de genadeklap te geven. Hij liep met verende pas voor me, babbelde honderduit en had geen enkel oog voor zijn omgeving. Hij was lang en slank, had donkerblond haar en heldere blauwe ogen. Hij droeg een gebleekte spijkerbroek, een t-shirt dat ooit wit geweest was, army-boots en hij had nu een stuk linnen om zijn hoofd geknoopt. Een bedoeïne uit de hel. Hij was zo druk met zichzelf en het beredeneren waarom zijn kompanen hem achtergelaten hadden dat hij niet merkte dat we langzaam maar zeker naar boven aan het lopen waren. Wat me enorm aan zijn redenaties irriteerde was dat hij kennelijk niet in staat was om te zien dat ze het opzettelijk hadden gedaan en ik kreeg steeds meer zin om hem ook achter te laten. Maar misschien zou ik hem nog ergens voor kunnen gebruiken, bijvoorbeeld om me te dragen.

Ooit was ik best een aardige vent geweest, geloofde ik, maar nu paste ik steeds beter tussen de schurken in mijn favoriete film Once Upon a time in the West. In een van de beginscènes zie je een meisje voor een houten huis een eettafel dekken. Een man loopt naar de pomp, schijnbaar om zijn handen te wassen. De lucht zindert van de hitte. Krekels tsjirpen uitgelaten. Plotseling vallen de krekels stil. Het meisje en de man kijken verontrust om zich heen. De man laat zijn blik over het landschap dwalen. Hij ziet alleen struiken en hoort de wind daartussen blazen. Een stel patrijzen schiet uit de bosjes en het meisje kijkt er opgelucht naar. De camera zwenkt weer naar de patrijzen. Er valt een schot. De man schrikt. Het meisje valt. De man schreeuwt haar naam en tracht naar haar toe te rennen. Hij wordt door ettelijke schoten geveld. Ook een jongen die juist met paard en kar uit een schuur komt wordt getroffen. De man is nog steeds niet dood en tracht bij zijn pistool te komen. Hij krijgt het genadeschot. Een roodharig spichtig jochie komt uit het huis gerend. Een snijdende gitaar onderstreept de dramatiek van de scène. Hij laat zijn blik over de dode lichamen gaan. Er komen vijf mannen in lange jassen uit de struiken opduiken. Ze lopen op het jongetje toe dat angstig afwacht. We zoomen in op een pruimende Henry Fonda. Zijn gezicht leerachtig, zijn ogen staalblauw. Hij glimlacht tegen het jongetje en even verzachten zijn trekken. ‘What are we gonna do with this one Frank?’ vraagt een van de anderen hem. Zijn blik verhard, hij kijkt opzij en spuugt zijn pruim uit. ‘Now that you called me by name…’ Zijn hand gaat naar zijn colt. Het jongetje wacht angstig af. Fonda glimlacht weer tegen hem, maar nu lachen zijn ogen niet meer mee en hij drukt af. Die scène was briljant, straalde de hitte en verdorvenheid uit die hij nodig had, maar miste een belangrijk aspect: de geur van het eigen verschaalde zweet en het fysiek ondergaan van diezelfde hitte.

Geuren. Ik rook een kadaver tegenwoordig op kilometers afstand. Ik zwierf nu al maanden door de woestijn en was er veel tegen gekomen, zowel van verdwaalde mensen als dieren. Eerlijk gezegd was ik zelf ook verdwaald, maar ik dacht dat als ik maar ver genoeg naar het westen trok, ik vanzelf weer bij de zee zou uitkomen. Dat moest wel. Daar ergens waren mijn vrouw en dochters. Ik had me vroeger vraag afgevraagd wie ik nou werkelijk was en wie ik wilde zijn en wat dat nou eigenlijk allemaal betekende en nu wist ik het en weigerde daar dieper over na te denken. Ik was een man die op iedere stap een volgende liet volgen, niets meer en niets minder. Nu je me bij mijn naam genoemd hebt. Marc wilde niets over mij weten, hij vroeg niets en vertelde evenmin iets over zichzelf. Ik vroeg me af of hij alles wel op een rijtje had. Ik vond het vreemd, hij legde zijn lot zo’n beetje in mijn handen en deed dat met een vertrouwen dat volstrekt niet paste bij de korte tijd die we samen opgetrokken hadden.

In het verleden had de rivier hier waarschijnlijk snel gestroomd, want we bleven maar naar boven gaan. We hadden ook geen keus, wilden we verder naar het westen, moesten we deze bergkam over. Ik probeerde me te herinneren waar ik in het verleden op de kaart een bergkam had gezien, maar er kwam niets bovendrijven. Was ik dan zo ver uit de richting gedwaald? We klommen door een smalle kloof verder naar boven en stuitten ineens op een groot boeren huis. Er was echter geen mens te zien. Mark huppelde blij als een kind naar het huis en voor ik hem tot voorzichtigheid kon manen had hij de voordeur open getrokken en was naar binnen gegaan. Hij kwam met een beteuterd gezicht weer naar buiten. ‘Er is hier niemand, alleen wat magere katten,’ zei hij. ‘Waar katten zijn, zijn mensen.’ Maar ik wist wel beter. Ik had het hart niet om hem nog meer teleur te stellen. Misschien zou het toch nog goed met me komen. Ik liep om het huis heen. Erachter stond een oude caravan. De droge bedding liep een twintigtal meter van de schuur en ik zag dat er eens een kleine waterval was geweest. Ik ging het huis binnen en trok hier en daar laden open. In een ervan lag nog een fotoalbum. Ik bladerde het door en zag taferelen van een gelukkig gezin met kleine kinderen. Het verontrustte me echter dat ze dat album niet meegenomen hadden. Ze hadden kennelijk haast gehad weg te komen of was hun vertrek soms niet vrijwillig geweest? Dat gevoel werd nog erger toen ik in een kast diverse potten ingemaakte groenten vond. We aten een leeg en de rest propte ik in mijn rugzak. ‘Zullen de mensen die niet missen?’vroeg Mark. ‘Ze komen toch niet terug. Zeg, ik slaap in de caravan, slaap jij maar hier in een bed,’ stelde ik hem voor. Hij stemde verheugd in. Hij dacht echt niet verder dan zijn neus lang was. Er was iets met dit huis, ik voelde het. Ik installeerde me in de oude caravan die tot mijn verbazing naar schimmel rook. Alles was toch kurkdroog? Ik sliep echter snel in en dacht zelf ook niet verder dan mijn neus lang was.

Ik werd gewekt door het rommelen van de donder en zag door de beslagen ramen felle lichtflitsen in de bergen slaan. Prompt begon het te roffelen op het dak. Het geroffel werd al snel een aaneengeschakeld geruis en het geruis veranderde na een minuut of vijf in een hels kabaal. Het regende. En het regende geen beetje, waar al dat water vandaan kwam was me een compleet raadsel. Ik zag dat er water over de bergkam tuimelde, het watervalletje verbreedde zich tot een woeste stroom en ik voelde hoe de caravan opgetild werd in de kolkende vloed. Ik dreigde om te vallen en klemde me vast aan het formica tafeltje. Die schimmellucht; dit gebeurde vaker. De mensen hier waren niet gevlucht, ze waren weggespoeld.  Het water kolkte inmiddels ook in de caravan die meegesleurd werd. Ik was er nu van overtuigd dat ik zou verzuipen. Ik naderde de nauwe kloof die we eerder gepasseerd waren en de caravan klemde zich vast tussen de rotsen. Nu steeg het water me tot mijn nek en ik was niet eens wanhopig meer. Dit was het dan. Zo roemloos is het einde dan. Maar toen hoorde ik voetstappen op het dak en ik begon om hulp te roepen. Iemand opende het plexiglas luik boven me. Iemand keek naar binnen. ‘Ha Frank, je wilt er zeker wel uit hè?’ vroeg Mark grijnzend.

© Lammert Voos

 

 

Berichten vanaf de sofa

1

Ik lig in de tent op mijn sofa uit te kijken op de besneeuwde top van de berg. De hemel is helder blauw, hard als een bijl. De lucht ijl als een babyscheet. De sherpa’s hebben me in de steek gelaten. Ik kan niet meer lopen en lig hulpeloos te wachten, aldus het ideale aas voor een yeti. Ik had me deze huntingparty toch anders voorgesteld. Ik denk aan Margaret, hoe ze de lak in het haar spoot zodat dat op een blonde helm leek. Hoe ze haar lippen provocerend donkerrood stiftte. Ik denk aan haar hautaine lachje toen ze me in de steek liet. Ze zei dat ik een mislukkeling was. Dat was pijnlijker dan het breken van mijn benen. Plotseling hoor ik achter de tent zachte voetstappen in de sneeuw. Het knerpen duidt op een zwaar dier. Ik zet de veiligheidspal van mijn geweer over en wacht op de dingen die komen gaan.

 

2

De duisternis ligt als een grauwe paardendeken over het land. Yuri ligt bovenop de stenen kachel. Het lijk van de oude Pool die hij de keel doorsneed heeft hij onder mijn sofa geschoven. ‘Eigen schuld,’ zegt hij, ‘had hij die kip maar niet voor ons verborgen moeten houden.’ Het was waarschijnlijk de laatste kip van de oude. Waar zou hij ooit weer zo’n kip hebben kunnen vinden in dit leeggeplunderde land? Na een kort, koud nacht vallen de eerste zonnestralen als botte messen door het raam. De commissaris van ons peloton stampt de hut binnen. ‘Opstaan! Opstaan! Zet de sofa achterop de mitrailleurwagen! Vozinski, jij bent vandaag de schutter! We trekken op naar Jaroslaw!’ We zouden de veldtocht in Polen verliezen…

 

3

Mijn sofa stak als een obese vlaggenmast uit de kofferbak. Ik zat op de brede achterbank met een fles Bourbon tussen mijn voeten geklemd. Sally had zojuist de resten van een enorme joint uit het raam gekieperd en dat was maar goed uit, bleek een moment later. Zij en Sam hadden de hele nacht weer als beesten liggen neuken en volgens mij konden ze dat alleen maar volhouden door veel speed te gebruiken.Achter ons hoorde ik de sirene van een motoragent. Shit. Als die vent goed oplette zaten we nu goed in de stront. Sam stuurde de grote zoevende bak soepel in de berm en draaide het raampje open. ‘Hallo agent is er een probleem?’ fleemde hij. Ik hoopte dat de agent de fles Bourbon tussen mijn voeten niet kon zien. Hij scheen het licht van zijn zaklantaarn recht in het gezicht van Sam. ‘Ja, jij bent het probleem, vuile beatnick,’ gromde hij. In Kansas hielden ze niet van jazz en negers en al helemaal niet van blanken die daar wel van hielden. De agent scheen de lichtstraat in het decolleté van Sally. ‘Hallo, wat hebben we daar?’ Hij kwijlde als een bronstige bizon. ‘Dat is mijn nichtje, agent,’ antwoordde Sam., die wist dat Sally volgens de staat Kansas minderjarig was. ‘Zo’n nichtje wil ik ook wel,’ zei de agent, ‘maar denk niet dat ik gek ben of niets ruik. Geef me vijftig dollar en ga zo snel mogelijk de staatsgrens over, twintig mijl verderop, dan doe ik net alsof ik jullie niet gezien heb en dat je nichtje alleen maar een natte droom was.’ Sam en ik legden briefjes en muntjes bij elkaar en kwamen precies tot vijftig dollar. We zwegen en Sam startte de motor weer. De agent grijnsde triomfantelijk. Wist hij veel dat een voorraad dope voor de verkoop verstopt was in de voering van de sofa.

4

Sinds kort werkte ik bij de spoorwegen als sjouwer en daarom kon ik mij een kamer veroorloven in dit sjofele en vervallen pension. Maar het was beter dan slapen in een autowrak of in een kerkopvang tussen de snurkende drinkers. Bovendien bleef mijn sofa hier tenminste droog. Onder de sofa lag de koffer van Elizabeth. Ze was hem weer eens gesmeerd, gillend dat ik haar de sief bezorgd had, maar feitelijk had ze vooral een kwade dronk gehad en toen ik zei dat ze moest minderen werd ze pissig. Ze sliep nu in een wrak bij de rivier met Pretty Boy Tex. Pretty Boy werd zo genoemd omdat zijn gezicht ernstig geschonden was door pokken. Ik dacht wel dat ze hem bediende en eerlijk gezegd liet me dat koud. Ik had de koffer opengemaakt en de inhoud bekeken: een vies flodderig jurkje, een paar schoenen en een hoedje dat eens groen was geweest. Foto’s van een meisje van een jaar of tien. Haar overleden dochtertje, wist ik. Ik kon die koffer ook net zo goed in de rivier gooien, waarschijnlijk wist Elizabeth niet eens meer dat ze hem nog had. Ik besloot een bier te gaan halen bij Pat’s Place, eigenlijk de enige kroeg waar volk zoals ik welkom was. Tot mijn verbazing zag ik Elizabeth aan de bar zitten. Toen Pat mij in het oog kreeg stak hij waarschuwend een vinger op: ‘Vanavond geen ruzie IronVoos.’ Dat was ik ook niet van plan, ik wilde alleen maar bier drinken. Elizabeth bleek Pretty Boy verlaten te hebben. ‘Waar slaap je nu dan?’ vroeg ik haar. ‘In de kerkopvang, maar al die geile dronkenlappen willen me bespringen.’ Ik kon dat moeilijk geloven, maar zei niets.

Ze stonk, haar haar was grauw, in de poriën van haar zat opgehoopt vuil, haar mondhoeken hingen slap naar beneden en haar tanden waren rot en geel van het roken en de drank. Ze had bovendien een opgezwollen buik van ondervoeding en spataderen. Je moest wel heel veel gedronken hebben om nog enige schoonheid in haar te zien. ‘Zeg,’ begon ze met haar rauwe stem, ‘Heb je die sofa nog? Daar ligt nog een koffer van mij onder, die wil ik terug.’ Er zou vanavond wel ruzie komen, want die koffer dreef op hetzelfde moment zo’n beetje de haven van Boston uit.

5

We doorkruisten de Chihuahuandesert in de hoop ongezien de grens naar Mexico te kunnen oversteken. De wond in mijn been begon echter te etteren en de majoor kwam in zijn volle lengte voor me staan: ‘Je houdt ons op Voos, de Comanches halen ons zo gemakkelijk in. Je zult het alleen moeten oplossen.’ De mannen bonden een sofa als een travois achter een muilezel en gaven me twee zware Navy Colts en een doos patronen. ‘Wij zijn immers geen onmensen,’ verzekerde de majoor me. Ik had hem kinderen zien doodschieten. Zwangere vrouwen. Lachend bejaarde indianen zien neerkappen met zijn zwaard. De troep verdween in een grote stofwolk naar het zuiden, mij achterlatend met de Comanches. De Comanches hadden geen echte opperhoofden, maar kozen voor iedere warparty een hoofdman en dat was jarenlang Febuxostat geweest. Diens scalp hing nu aan het zadel van de majoor. De opvolger van Febuxostat, Colchicine had diverse clans bij elkaar geroepen en maakte nu jacht op ons. Ik was nu alleen in dit dorre land dat alleen bewoond werd door ratelslangen en Gilamonsters. Ik was een gemakkelijke prooi. Ik had de Comanches nog niet gezien, maar wist dat ze in de buurt waren en ze zouden geen risico;s nemen. Als mijn aandacht verslapte of ik in slaap zou vallen, zouden ze me vastbinden en gaan martelen. Ik had het ook verdiend. Hoevoel Comanchescalps had ik wel niet geoogst? Misschien was het beter om een van de colts tegen mijn slaap te zetten en af te drukken, hoewel het best zonde zou zijn dat de sofa dan smerig zou worden.

6

Ik had succes, de mensen wilden mij kennen en ik werd veel gevraagd voor lezingen en ik voelde me daar zeer vereerd door. Er was echter een probleem: ik kon niet lopen. Ik bracht mijn  dagen door op de sofa, met de schrijfmachine op een tafeltje naast me. Ik keek uit op mijn machtige bibliotheek en uit het raam zag ik bloemen en fleurige struiken, de spelende kinderen van de buren. Ik genoot van het blaffen van hun hond, een Labrador. Eigenlijk leidde ik een afgeleid risicoloos leven. Voor overdag had ik een verpleegster ingehuurd: Betty. Zij was een prettige verschijning met rood haar en sproetjes, heel charmant, maar ik had haar toch vooral geselecteerd vanwege haar indrukwekkend curriculum. Ze was meestal opgewekt en ik kon met haar de meest schunnige grappen maken, zij wist immers dat er benden mijn middel niets meer functioneerde. Kennelijk beïnvloedde dat ook mijn dromen, want ik droomde nooit iets ongepast. Mijn boekenkast was mijn grote trots. Ik had echter niets op alfabet staan en eigenlijk was het maar een ratjetoe: Ernest Hemingway, Isaak Babel, Jack Kerouac, William Kennedy, Cormac McCarthy, Stephen King, het stond allemaal kriskras door elkaar. Het was bezit, kennis, het was mijn bodem. Maar als de schaduwen lengden werd de boekenkast donkerder en in het duister stond hij me dreigend aan te staren. Ik voelde een aanwezigheid, maar die bleef precies buiten mijn gezichtsveld. ‘Ik ben hier,’ zei de aanwezigheid, ‘en op een dag grijp ik je bij je strot en vermaal ik je hersenen.’ Ik kan niet alleen niet lopen, mijn geheugen staat daar in die kast en dat geheugen speelt spelletjes met me. Ik durfde het Betty niet te vertellen, ik was bang dat ze zou zeggen dat ik krankzinnig ben, en eigenlijk ook best kan lopen. Dat is waarschijnlijk ook zo, maar ik wil niet lopen. Ik wil iedere dag naar Betty kijken, genieten van haar lach en ik wil iedere dag twee zinnen overschrijven uit mijn bibliotheek.

26169496_506474853072585_4699407605386965103_n© Lammert Voos

 

Zondagsoverdenking

Mijn geliefde echtgenote had een reünie met oud-collega’s en omdat die bij ons thuis plaatsvond, moest ik me even een middagje buitenshuis vermaken. Aangezien ik laatst zo stom was op een zaterdag (sabbat) de synagoge van Groningen te willen bezoeken ging ik vandaag in de herkansing.

Bij mijn weten is deze synagoge nog de enige in het noorden die als gebedshuis functioneert. Na de oorlog waren er in de Ommelanden immers nauwelijks nog Joden over. Dat was niet de reden dat ik de synagoge wilde bekijken, ik ben immers geen veredelde ramptoerist, ik ben er sinds enige tijd achter dat in onze stamboom Joodse slagers voorkomen en ik was nog nooit in een synagoge geweest. Ik denk echter niet dat je er aan ontkomt om alle pogroms, vervolgingen en de Holocaust in je achterhoofd te hebben, maar de Groninger synagoge zou qua architectuur een hoogstandje zijn. Aan de buitenkant in ieder geval wel, dat had ik al gezien.

Boven in de sjoel, op de balkons was een permanente(?) tentoonstelling te zien van het Joodse leven van voor de oorlog. Tevens kon je lezen over de levens van mensen die vergast zijn. Er hing een foto van kleuter met blonde krullen die zonder zijn ouders naar Westerbork gevoerd was. Er werd niets gezegd over zijn uiteindelijke lot, maar dat was ook niet nodig. Ik kreeg het Spaans benauwd en ben naar buiten gevlucht. Ik ervaar dat momenteel vaker: ik snap heel goed dat mensen hun leed belicht willen zien, zeker in dit geval, maar kennelijk heb ik daar een punt in bereikt dat ik dat niet meer aan kan.

Voor het bezoek aan de synagoge was ik naar het Groninger museum geweest om de expositie van lichtkunstenaar Daan Roosegaarde te zien. Tevens was er een tentoonstelling met de naam Strijd! Over 100 jaar vrouwenkiesrecht. En ik moet natuurlijk eens in de zoveel tijd het werk van De Ploeg zien. Wat betreft Roosegaard; ik denk dat ik dat niet begrijp, waarschijnlijk schieten mijn intellectuele  en esthetisch vermogens tekort om daar de schoonheid in te zien. Ik loop daar vaker tegenop, lees momenteel ook Camus zijn De mythe van Sisyphus en heb geen idee waar het over gaat. Trouwens, als je epilepsie of migraine hebt raad ik je sowieso af die expositie te bezoeken. Opvallend van Strijd! Vond ik dat Wilhelmina Drucker er eerder uitzag als de lieve oma die je altijd al wilde dan als een naamgeefster van een activistische feministische groep.

Uiteraard moest ik nog even bij boekhandel Van der Velde kijken of Malterfoske nog in de etalage lag. Ik heb immers een narcistische persoonlijkheidsstoornis en ik heb iedere dag een fikse dosis bevestiging nodig. Ik lag niet in de etalage. Stond niet bij de literatuur. Het kan verkeren: zo heb je een uur op de landelijke radio, word je bejubeld in twee grote landelijke dagbladen en zo sta je bij de regionale uitgaven. Nee mensen, ik schrijf ineens geen literatuur meer, maar ben weer een bescheiden provinciaaltje. Over Sisyphus gesproken…

©Lammert Voos

14666_620x630_crop

Het eerste schot

Ik bleef zitten in de brugklas van de HAVO. Doubleren werd dat genoemd om een overdaad aan schaamte te vermijden. Ik schaamde me helemaal niet, het interesseerde me allemaal geen moer, thuis was het oorlog en op school kun ik lekker uitrusten. In de herkansing kwam ik in een bank naast Douwe terecht en we werden vrienden. Onze vriendschap was gebaseerd op de wederzijdse belangstelling voor stripboeken zoals Blueberry, Guust Flater en Asterix. Tot grote ergernis van onze omgeving beperkten onze conversaties zich tot citaten daaruit, gevolgd door onstuitbare lachaanvallen.

Douwe zijn moeder was een Brabantse en hield van gezelligheid en als ik ’s avonds op visite kwam, wat ik graag deed, werden Douwe en ik steevast getrakteerd op pinda’s, stukje worst en kaas met mosterd en currysaus. Soms kregen we stiekem een biertje.

Ik had op illegale wijze een luchtdrukpistool verkregen, maar Douwe had een veel mooiere pompbuks waar je behoorlijk zuiver mee kon schieten. Achter zijn huis schoten we op flessen en blikjes. Op een dag mocht ik de pompbuks gebruiken en voor de grap zei ik: ‘Zal ik jou eens in je reet schieten?’ ‘Dat durf je toch niet,’ repliceerde Douwe.Na-ijver is een rechte loop, de kift een onfeilbare korrel en puberrivaliteit heeft een luidere stem dan het geweten: hij heeft een mooiere buks dan ik…Hoewel ik zonder kogel schoot, kreeg Douwe een grote blauwe plek op zijn kont en hij weigerde wekenlang tegen me te praten.

Ik verveelde me kapot die weken, huiswerk maken deed ik niet, dus ik toog naar de bibliotheek om wat aansprekende lectuur tot mij te nemen. Ik las een boekje van ene Simon Carmiggelt. Ik had het heel snel uit en hoewel ik dacht niet alles te begrijpen vond ik het prachtig.

Nadat ik door Douwe weer in genade aangenomen was als vriend liet ik hem een verhaal van Carmiggelt lezen uit een boekje dat ik gestolen had. Toen hij het verhaaltje uit had keek hij me vertwijfeld aan. ‘Maar het gaat nergens over,’zei hij aarzelend. ‘Dàt, beste Douwe,’ antwoordde ik gedragen, ‘dàt is volgens mij nou literatuur!’

© Lammert Voos

Pompbuks-3-300x99

 

Het slachthuis (herziene versie)

Binnen de grauwe bakstenen muren van het oude slachthuis van Groningen werd niets verspild, behalve levens. Oude, afgewerkte paarden wachtten gelaten op hun dood, terwijl de varkens, hoogst intelligente wezens, hun angst uitschreeuwden. De slachters en hun knechten waren doorgaans breed. Met een koppige onverschilligheid aten ze in de pauzes gehaktballen in de kantine. Buiten, in de mistroostige regen, staarden de koeien leeg voor zich uit. De geur van het slachthuis bedierf voor iedere buitenstaander de eetlust.

De slachters vertelden elkaar luidkeels van de hoeren die ze in het weekend hadden bezocht, van vuistgevechten in cafés en van rellen tijdens het voetbal. Ik was bang voor ze, bang in het slachthuis, nooit eerder had ik me ergens zo weinig op mijn gemak gevoeld. De lucht trilde er van spanning, van dood en de goten waren vol bloed die zwaar en zoet geurde.

De Vries, mijn voorman, wist met grote precisie de vliezen tussen het vlees door te snijden. Het was zaak deze vliezen niet te beschadigen, dan leverde het vlees het meeste op. Al vliezend ontleedde De Vries tien koeienschouders op een ochtend. Mij lukte slechts één.

Ik zou willen dat ik mijn gedachten zo kon opdelen en ordenen. Maar zo werk ik niet. Schrijven is voor mij het scheiden van de vliezen tussen fantasie en geheugen en het kost tijd. Heel veel tijd.

© Lammert Voos

download