De louteringsberg

Ze vertelde hem dat de man haar stelselmatig verkrachtte. Dat ze daar vier kinderen aan over gehouden had. Ze zei dat hij op haar verkrachter leek. En hoewel hij haar de laatste jaren beschermd had liet ze hem bij haar verkrachter achter. Hij voelde zich verraden, besmeurd en gekwetst. Hij had een permanente wond. Hij was vijftien.

Zo nu en dan belde ze hem nog. Ze vertelde hem uitgebreid over de wandaden van haar verkrachter. Aldus cultiveerde ze haar slachtofferschap en zijn wond, hield die keurig open en zorgde dat die bleef etteren van haat. Trok hem mee naar binnen in haar inferno. Bij ieder rinkelen van de telefoon passeerde hij de poorten van de hel.

Hij was niet meer in staat om intimiteit los te zien van geweld. Het maakte iedere toenadering tot een vrouw tot een hachelijke expeditie. Door zijn angst trok hij zijn geliefden mee naar beneden en deed dus precies wat zíj bij hem deed. Hij werd dan ook steevast verlaten en het was aan zijn oudere zuster te danken dat hij geen vrouwenhater werd, zij liet hem nooit vallen en raapte hem steevast op als hij viel.

Door zijn overlevingsdrang was hij echter een slimme manipulator geworden, dat had hij ook van zijn valse Beatrice geleerd. Hij trouwde en verwekte. Maar als hij naar zijn kinderen keek bleven dat vreemde entiteiten voor hem. Hij begreep al die gevoelens en emoties in die kleine lichaampjes niet. Daarbij kon hij zich niet losmaken van de verkrachter, daar zorgde de valse Beatrice wel voor. Hij rook de ganggreen in zijn ziel. Hij wist zeker dat hij een slechte vader was. Dus liet hij zijn eigen kinderen ook achter.  Hij was dertig.

Hij wilde slapen. Hij wilde niet meer voelen. Hij wilde de wond reinigen. Hij dronk en rookte weed. Dat hielp kortstondig, maar hij moest steeds meer drinken om niets te voelen. De valse Beatrice belde hem om de dag. Haar nieuwe man was ook een slechte man. Bestonden er eigenlijk wel goede mannen? Ze zei dat ze zich schuldig voelde omdat ze hem achtergelaten had bij haar verkrachter. Soms huilde ze. Daardoor kon hij niet zeggen wat hij voelde. Haar slachtofferschap knevelde hem en maakte hem stom.

Drinken maakte hem bot en onbetrouwbaar.  Hij had vrienden, maar voelde niets. Hij kon geen verbinding maken. Zijn leven was als een opiumroes. Hij zag de dingen alleen door een waas. Vermeed helderheid. Stortte zich op werk. Was zo druk met het redden van andere getormenteerde zielen, dat die van hemzelf bleef smeulen in Gehenna.

Maar de verlatenheid en leegte vrat hem van binnenuit op. Een solitaire rat vrat aan zijn ingewanden. Alleen toen hij zich in een oorlog stortte die niet de zijne was kon de valse Beatrice hem niet bellen. Het maakte niet uit. Het gif zat al diep in zijn binnenste en hij haatte. Hij haatte de verkrachter, diens zoon en de valse Beatrice. Hij wist dat hij op deze manier niet lang meer zou leven. Hij had kinderen. Hij had verantwoordelijkheden. Hij voelde zich schuldig. Hij wilde een betere erfenis voor hen. Hij was zevenendertig, had twee keer in een inrichting gezeten, wilde veranderen en hij ging in dagbehandeling.

‘Wat kom je hier doen?’ was het eerste wat de therapeut hem vroeg. ‘Ga rechtop zitten en doe niet zo onverschillig.’ Hij wilde de therapeut vermoorden. Helemaal toen die hem beschuldigde van toneelspelletjes en klefheid. Een andere therapeut zei: ‘Hier mag je wél meedoen.’ En hij brak. De therapeuten raadden hem aan brieven aan zijn ouders te sturen om zijn kant van het verhaal te vertellen. Om zijn gemoed te luchten, zodat hij ook eens gehoord werd.

De verkrachter las de brief en belde boos de valse Beatrice die de brief ongelezen verscheurde. Ze wilde zijn kant van het verhaal helemaal niet horen. Zij was immers het grote slachtoffer, wat híj voelde deed er niet toe. Hij voelde zich opnieuw verraden, besmeurd en gekwetst. De wond bloedde hevig. Nu spanden de verkrachter en de valse Beatrice tegen hem samen, zoals hij eerder met de valse Beatrice tegen de verkrachter had samen gespannen. Maar ze hadden hem niet meer nodig. De solitaire rat in zijn ingewanden had honger.

Maar hij leerde stapje voor stapje hoe hij verbinding kon maken. Hij leerde stapje voor stapje de kleine lichtpuntjes in ieder mensenkind herkennen. Hij leerde dat hij zelf ook een mensenkind was. Dat de verkrachter niet alleen verkrachter was, maar ook zijn vader en dat zijn vader ook het mensenkind was van een verkrachter. Hij leerde dat mensenkinderen niet alleen slachtoffers zijn, maar ook daders en dat daar altijd een reden voor is. Hoe onbegrijpelijk soms ook.

De valse Beatrice trok nu alles uit de kast, ze verloor de grip op hem. Hij nam geregeld de telefoon niet meer op. Hij liet niet toe dat ze het korstje van zijn wond zou peuteren. De wond schrijnde, deed pijn, maar etterde niet meer. De rat zijn honger was gestild. En toen werd hij ernstig ziek. Hij was tweeënveertig.

Hij werd geopereerd en bleef bijna in die operatie. De valse Beatrice, zijn moeder, kwam niet op bezoek; ze was op vakantie met haar nieuwe slechte man.

Wat had hij verwacht? Dat ze nu moeder zou zijn en geen valse Beatrice? Hoe naïef. Hoe kon hij nou denken dat ze haar kostbare positie zou opgeven. Toch voelde hij zich wederom verraden. De wond was weer open. De rat knaagde weer.

Hij herstelde. Zijn vader stierf en hij zag wat diens rat aangericht had en hij besloot zijn eigen rat voorgoed het zwijgen op te leggen. Hij zocht het licht en dat bleek te zitten in alle geheimen opgeven. Hij vroeg zijn kinderen om vergiffenis en beloofde naar vermogen zijn best te doen als vader. Dat nam de wond niet weg, maar er viel met de pijn te leven. Hij zei tegen zijn moeder dat ze hem niet meer moest bellen en dat als ze dat wel deed hij alle contact zou verbreken. Ze bleef bellen. Hij verbrak het contact. Hij wilde niet meer bij haar in haar permanente nacht leven. Hij begreep haar wel, ze kon niet anders, maar hijzelf wilde licht.

Hij was negenenveertig en vond dat licht. Niet God, maar het kwam in de buurt. Zij accepteerde hem. Zij accepteerde de wond en de andere littekens. Ze waren samen. Echt samen. De rat sliep, behalve in de nacht. Maar de dagen waren beter dan ooit. Zijn lichaam was kapot, maar zijn geest heelde. Hij vergaf. Hij beklaagde zijn verwekkers. Hij vergaf zichzelf. Hij had de louteringsberg beklommen en voelde zich vrij.

Hij liet zijn moeder weer enigszins toe. Niet uit liefde, die was veertig jaar geleden reeds gestorven, maar uit medelijden en uit loyaliteit aan de zuster die hem nooit had laten vallen. Maar zijn moeder kon haar rol van valse Beatrice niet loslaten en ze begon weer te bellen. Hij vond het akelig voor haar, maar besloot dat hij zijn wonden niet weer open zou laten krabben. Hij verbrak wederom het contact.

Hij is zevenenvijftig, wil het pad niet verlaten dat hij ingeslagen is, wil zo lang hij kan bovenop de berg blijven en het licht ervaren, ondanks de duisternis daaromheen, die hij heus wel ziet. Hij voelt geen rancune, maar maakt een bewuste keuze. Hij vindt het niet erg dat wellicht niemand hem zal begrijpen, maar het is nooit een gemakkelijk boek geweest.

© Lammert Voos

2018_03_14_louteringsberg

 

Vasili Grossman & Pussy Riot

Soms vallen de dingen op een merkwaardige wijze samen. Ik ben het werk van Vasili Grossman aan het herlezen. Grossman was een Russische schrijver die kritisch schreef over het Stalinistische regime en wiens werk verboden werd. Daar had hij nog geluk mee, want andere schrijvers, zoals Isaak Babel, werden vermoord. Dat is ook maar relatief, want een schrijver wil gelezen worden en hem de mond snoeren staat gelijk aan creatieve doodslag.

In het boek Alles stroomt, beschrijft hij de terugkomst van Ivan Gregojevitsj uit de Goelag. Zijn leven is gebroken en zijn thuiskomst confronteert de mensen die niet gearresteerd waren met hun verraad of lafhartige passiviteit. Het hele boek gaat over de ethische implicaties van overleven onder het Stalin-regime. Grossman oordeelt niet, maar beschrijft. De laatste hoofdstukken gaan over de morele werdegang van zowel Lenin als Stalin.

De revolutie eet haar eigen kinderen is een zinsnede die wordt toegeschreven aan zowel Pierre Vergnianal als aan George Danton, beide Franse revolutionairen en beide slachtoffer van diezelfde revolutie. Dader en slachtoffer tegelijk, het valt probleemloos te projecteren op de Russische revolutie.

‘De duizendjarige geschiedenis van de Russen is onafscheidelijk verbonden met een genadeloze onderdrukking van de persoonlijkheid. Slaafse ondergeschiktheid van de persoonlijkheid aan de heer en de staat.’ Aldus Vasili Grossman in Alles Stroomt. Het is een zin die al dagen door mijn hoofd spookt.

c9d937ffb01fb3ebbce38deabb726ee7--russian-literature-writers

Een ouwe punkmaat vroeg of ik meeging naar Pussy Riot, een feministisch collectief dat voor ophef in het hedendaagse Rusland zorgde door in een Orthodoxe kerk een punkmis te houden. Drie leden van het collectief verdwenen naar strafkampen, want de Goelag bestaat nog steeds. In de aanloop naar de Olympische winterspelen in Sotsji in 2014 werden ze vrijgelaten, een pr-stunt van Poetin.

De geprivilegieerde man van middelbare leeftijd oordeelde vanuit zijn luie leunstoel dat Pussy Riot weinig te maken had met wat zijn punk geweest was en dat hij het muzikaal allemaal niet bijster interessant vond, maar hij wilde toch wel eens zien wat men in Rusland dan zo gevaarlijk aan dit collectief vond. De geprivilegieerde man van middelbare leeftijd vond het er bij aanvang van het optreden nogal kinderlijk uitzien en vroeg zich af of die verkleedpartijen nou echt nodig waren.

Maar de energie, de beelden, de geluidscollages en de teksten sleurden me meedogenloos mee en toen viel het kwartje. Deze jonge mensen legden zich niet neer bij de slaafse ondergeschiktheid van de persoonlijkheid aan de heer en staat en ze waren bereid daar een prijs voor te betalen.

De dogma’s van de machthebbers in Rusland mogen dan veranderen, de genadeloze onderdrukking blijft dezelfde en dat Poetin zich laat provoceren door Pussy Riot zegt iets over zijn angst en paranoia. De conclusie is dat Pussy Riot veel meer punk is dan wij ooit geweest zijn, want wij waren niet gevaarlijk, hooguit een speldenprikje of een vuiltje in het oog van het establishment. En voor mijzelf sprekend kan ik alleen maar concluderen dat ik nooit ofte nimmer bereid was om zo’n prijs te betalen voor mijn zogenaamde idealen.

Mijn maat vroeg zich af of deze mensen ooit nog wel terug durfden naar Rusland, want dit soort optredens zouden toch consequenties hebben. Het zou beter zijn als ze hier politiek asiel zouden aanvragen, maar ik vrees dat ze toch teruggaan, ondanks de angst die ze heus wel voelden.

Ik kreeg een lesje dat ik niet licht zal vergeten. Pussy Riot rules!

© Lammert Voos

csm_pussy_riot03164_ac38693604

 

 

 

 

Agenda

9 januari: Presentatie Malterfoske, Kroeg van Klaas, Groningen. Zaal open 20.00, aanvang 20.30. gratis mmv Erik Harteveld, Hans Lass (ov) & Robert van der Tol

12 januari: Presentatie Malterfoske, boekhandel Praamstra, Deventer. Aanvang 14.01. gratis  mmv Robert van der Tol

17 januari Radio-interview Nooit meer slapen (VPRO) Radio 1 0.00-1.00 https://www.vpro.nl/nooitmeerslapen.html?gclid=EAIaIQobChMIzq2qoMHR3wIVVuJ3Ch2G3AwUEAAYASAAEgIOMPD_BwE

19 januari Presentatie Malterfoske, Boekhandel Van der Velde, Leeuwarden. Aanvang 14.00. gratis mmv Robert van der Tol

om_malterfoske

 

 

Nieuw: Malterfoske

64 pagina’s
Verschijnt in december 2018
isbn 9789072603692
gebonden
in kleur
€19,50

Malterfoske is een meeslepende novelle over zeven generaties Groningse armoedzaaiers op de klei. Er is incest, armoede, ziekte, uitbuiting, uitzichtloosheid. De bewoners van het buurtschap Malterfoske zitten vastgeklonken aan hun DNA, hun geboortegrond en de tijd. Lammert Voos schildert onbarmhartig het harde leven van een geslacht van boerenarbeiders, schippers, klompenmakers, pooiers en dienstmeiden. Voos’ liefde voor het Groningse land lezen we terug in korte, poëtische natuurpassages.

De novelle is ingedeeld in zeven hoofdstukken met bijbelse titels. Er is een onnadrukkelijke alwetende verteller aan het woord maar in het laatste surrealistische hoofdstuk, ‘Genesis’, kijken we door de ogen van een grootmoeder. Het blijkt de opoe van de auteur.

Malterfoske is een ontluisterend verhaal over een geslacht van sloebers in een godvergeten land, een confronterend sprookje dat voor een (te) flink deel zijn wortels heeft in de historische werkelijkheid.

om_malterfoske
Druksel Martien Frijns

Taxi-Driver

100_0358_editedIk had al een aantal keer in de goot gelegen, maar wonderwel wist ik steeds de scherven weer bij elkaar te rapen en mezelf weer op de rails te krijgen. Ik was nu zelfs zo ver dat ik de alcohol uit mijn leven gebannen had. De drank had als een hedendaagse Zwarte Dood huisgehouden in mijn familie en ik wist dus dat ik genetisch belast was en dat het alles – de volledige ondergang- of niets was. Ik koos voor het leven.

Ondanks dat de arbeidsdeskundige van mijn uitkeringsinstantie er fel op tegen was, vond ik dat ik weer aan het werk moest. In het verleden had ik als chauffeur en kok als vrijwilliger vakanties van verstandelijk gehandicapten begeleid en dat had ik leuk gevonden. Professioneel kok was ik al geweest, wat was ik niet geweest? Van portier tot badmeester tot crisismanager tot hulpverlener tot geitenkaasmaker, you name it, ik had het gedaan. Chauffeur dus. Met diploma.

De theoretische kant van de zaak was geen probleem, maar de praktijk was anders, als ik slecht sliep –en wanneer sliep ik niet slecht?- had ik problemen met mijn concentratie. Het praktijkexamen diende afgelegd worden door een route te rijden die een Tom-Tom aangaf, maar ik kende de stad goed, dus luisterde helemaal niet naar dat ding. Ik was me er niet eens bewust van. De examinator was not amused, maar ik redde me eruit door een vaag verhaal op te hangen dat ik bewust brandstof bespaarde voor het milieu met een kortere weg en dat deze kortere route geld bespaarde voor mijn werkgever. Hij trapte erin.

Ik kreeg een contract bij een taxibedrijf dat diverse vaste routes had om kinderen met een beperking te vervoeren. Ook was er een route waarbij personeelsleden van een grote uitgeverij van het station naar een gebouw op een bedrijventerrein gereden moesten worden. En voor het eerst van mijn leven droeg ik een uniform. Voor het eerst in mijn leven droeg ik een stropdas. Voor het eerst in mijn leven moest ik me iedere dag scheren. Maar ik wilde die baan. Door het rijden van die routes, verspreid over een dag, had ik immers genoeg tijd om te werken aan de grote roman die ik nog in me had. Daar was ik toentertijd heilig van overtuigd. Twee misrekeningen voor de prijs van één. Die grote roman heb ik inmiddels zo mijn twijfels over en omdat ik ’s ochtends om vijf uur moest opstaan was ik de rest van de dag zo moe dat ik tot niets anders dan dutten op de bank kwam.

Mijn nieuwe collega’s waren een samengeraapt zootje van gepensioneerden die wilden bijverdienen, sociaal gemankeerden en mensen die niet in een normaal arbeidsproces pasten, zoals ik. Er was een strenge hiërarchie in de kantine, de oude hap zat bij elkaar, de eerste ring, de mannen van de Mercedessen zaten bij elkaar, de tweede ring, de gepensioneerden zaten bij elkaar, de derde ring, de afgekeurden met een bijbaan, de vierde, en ik zat bij de nieuwelingen, de laatste poort van de hel.

Bij de oude hap zat een giftig kereltje van een jaar of zeventig met een grote snor die volgens eigen zeggen bij het Vreemdelingenlegioen had gezeten. Hij was zeer aanwezig en had altijd het hoogste woord, waardoor ik dacht dat hij vooral achter een bureau had gezeten. In mijn werk met vluchtelingen was ik verschillende mannen tegengekomen die actief aan het front hadden gezeten en die gedroegen zich heel anders. Die mannen zorgden juist dat ze niet opvielen. Ze hadden altijd een schuchtere oplettendheid over zich en als ze een ruimte betraden scanden ze die snel en zorgden ervoor dat ze zo zaten dat er zo weinig mogelijk achter hen gebeurde. Ik had terstond een hekel aan de vermeende Legionair en ook aan zijn tafelgenoten trouwens, die allemaal eenzelfde soort snor hadden en de man op handen leken te dragen.

Mijn eerste rit was met werknemers van de uitgeverij. Toen één van mijn passagiers mijn naambordje zag vroeg hij of ik vroeger in een New-Waveband had gespeeld. Ik antwoordde bevestigend en ik zag het hem denken: wat ben jij diep gezakt. Maar hij sprak het niet uit en wellicht was het mijn eigen gedachte. Ik kon mijn eigen gevoelens van onbehagen niet echt plaatsen. Misschien kwam het van het slaapgebrek, want ik sliep nog steeds erg slecht, had vaak nachtmerries en het iedere ochtend vroeg opstaan putte me behoorlijk uit.

Het rijden met kinderen was veel minder leuk dan de vakanties met de verstandelijk gehandicapte volwassenen. Gestoorde en beschadigde kinderen zijn niet leuk, die zijn vooral confronterend en moeilijk. Nu had ik mijn postuur en stemvolume wel mee, dus had ik een redelijke mate van orde in mijn bus, maar ik zag collega’s enorm worstelen en ook lijden onder het gedrag van de kinderen die ze vervoerden. Een jongetje vroeg mij eens: ‘Chauffeur, wat gebeurt er als ik je in je bek spuug?’ Ik antwoordde zo rustig mogelijk: ‘Dan ram ik je met je bek door het dashboard.’ Probleem opgelost, maar leuk was anders en je moest er maar tegen kunnen.

Ik had een verstandelijk beperkt en zwaar autistisch meisje van Turkse afkomst in de bus en de eerst keer dat ik haar van huis haalde kreeg ik een lijst met instructies mee van haar moeder. De familie woonde in een prachtig huis op een prachtige plek, er stond een dure BMW voor de deur en de moeder was een beeldschone vrouw. Maar deze mensen woonden in dezelfde gevangenis als hun kind, want als er van de routine afgeweken werd, bij de geringste verandering, ging het kind volledig door het lint en vernielde alles in haar omgeving. Bovendien verwondde ze iedereen om haar heen en zichzelf. Ze moest in de bus dus op een vaste plek vastgezet worden. De arme ouders zaten in een levenslange gevangenis, want dit kind had tot haar dood verzorging nodig en wat als de ouders dat niet meer konden opbrengen? De verantwoordelijkheid over deze kinderen drukte zwaar op me. Als ik de uitgeversroute mocht rijden of een keer heen en weer met passagiers naar Schiphol voelde dat als een uitstapje.

Ik had altijd van autorijden gehouden, in mijn jaren bij Vluchtelingenwerk had ik duizenden kilometers gereden, maar rijden in een stad die geregeld een verkeersinfarct had, was andere koek. Soms was het uren achtereen kruipen, gas geven, remmen, stoppen, gas geven, tien meter opschuiven, remmen…het was dodelijk vermoeiend. Daarnaast vonden de mannen met de snorren mij niet aardig om dat ik hen openlijk bespotte en mij niet aan de hiërarchie hield. Niemand vertelt mij waar ik mag zitten en waar niet. En omdat ik de conventies schond gingen anderen dat ook doen. De legionair sprak me erop aan en ik vroeg hem wat hij er aan wilde doen, zijn legionairstypemachine extra laten ratelen? Dat was in de roos. Hij werd vuurrood, draaide zich om en sprak nooit weer een woord tegen me.

Al mijn stoerheid ten spijt werd het mij allengs steeds duidelijker dat ik ook deze baan niet vol zou houden. Het was als altijd: ik stortte me er volledig in, gaf me helemaal, lag ’s nachts te malen, kon niet stoppen met bedenken hoe alles moest, sliep niet meer en knapte tenslotte af. Dit keer liet ik het niet zo ver komen; toen ik erachter kwam dat ik er in inkomen juist op achteruit ging als ik werkte, had ik een goed excuus om te stoppen. Ik had het precies drie maanden volgehouden, was doodmoe, maar viel niet terug in mijn oude zuipgedrag.

Die roman heb ik echter nog steeds niet af.

© Lammert Voos

Het gat in de deur

Het was begonnen met opschepperij. Lennart had tegen Wilson gezegd dat hij best door een deur heen zou kunnen slaan en die had daar honend op gereageerd. Dus sloeg hij zo hard als hij kon tegen die deur en, inderdaad, er zat een gat in. Wilson dacht dat hij dat ook wel kon en toen was het gat nog groter.

Lennart en Wilson zaten op dezelfde middelbare school, maar omdat Lennart was blijven zitten zat hij een klas lager. Ze hadden niet op dezelfde lagere school gezeten, want Wilson was eigenlijk Christelijk. Maar ze hadden elkaar snel gevonden toen ze eenmaal op die openbare middelbare school zaten. Lennart was dik, maar langer dan zijn leeftijdgenoten. Wilson was nog langer, maar had rood haar.

Wilson had een gitaar en speelde Lennart liedjes van Lou Reed en Neil Young voor en hoewel hij vond dat het best houterig klonk, vond Lennart dat toch machtig interessant. Hij wilde dat zelf ook wel, maar iedereen zei dat hij motorisch gestoord was, dus liet hij het maar zitten.

Lennart zijn vader was woest op hem om dat gat in de deur, maar dat gaf niet, zijn vader was bijna altijd kwaad. Zeker sinds zijn moeder weg was. Bovendien was zijn vader er nooit, want hij had binnen een week al een nieuwe vriendin. Toch schold pa nog steeds op zijn moeder. Lennart kon daar niet zo goed tegen, dus was hij blij dat zijn vader meestal weg was, ook ’s nachts.

Ze woonden aan het water en Lennart zat vaak aan de achtertafel te kijken hoe de binnenvaartschepen voorbij gleden.  Vroeger woonden ze hier met zijn vieren: pa en ma en Lennart en zijn oudere broer. Ze hadden in het kanaal gevist en gezwommen en ze hadden erop geschaatst. Nu woonde Lennart daar min of meer alleen en had hij geen zin meer in zwemmen, vissen en schaatsen. Eigenlijk had hij alleen nog zin in gaten in deuren slaan of mensen op hun gezicht, maar dat laatste deed hij niet, want hij wist dat mensen slaan niet deugde.

Wilson zijn ouders waren ook gescheiden. Wilson zijn echte moeder zat in het gekkenhuis, maar hij had wel een stiefmoeder en ook nog een broertje en halfzusje. Wilson had ook zin om mensen te slaan, maar deed dat ook niet. Zijn stiefmoeder had altijd te veel make-up op en het leek wel of die scheef zat en ze droeg bloesjes waar haar tieten uitpuilden. Die tieten waren wel interessant, ondanks de blauwe aderen erop, maar verder vond Lennart het maar een lelijk mens.

Hoewel ze eigenlijk nog niet oud genoeg waren gingen Lennart en Wilson geregeld de kroeg in, er was toch niemand om hen tegen te houden. Bij Lennart letterlijk en bij Wilson scheen niemand het iets te kunnen schelen.

Overdag ging Lennart naar school, maar steeds minder, het boeide hem niet, en hij peuterde aan de randen van het gat in de deur en langzaam maar zeker werd dat groter. De schepen bleven voorbij glijden. Lennart hoorde ze niet, want hij had nooit zin om een raam te openen. Hij deed haast niets meer, at alleen voorverpakte hamburgers of chinees. Boodschappen doen deed hij zo weinig mogelijk en lege flessen leverde niet meer in. Er waren dagen dat hij zijn bed niet meer uitkwam. Hij peuterde wel regelmatig aan het gat in de deur. Alleen Wilson kwam nog weleens langs en heel enkel zijn vader die hij dan op zijn schuldgevoel werkte en geld aftroggelde.

Op een middag ging hij naar Wilson zijn huis. Die speelde gitaar voor hem, zodat hij een prop in zijn keel kreeg die niet meer weg wilde. Zonder dat hij het wilde zat Lennart te huilen. Of het toeval was of niet, Wilson zijn stiefmoeder vroeg of Lennart bleef eten en dat wilde hij wel, want hij zag er verschrikkelijk tegenop om naar huis te moeten. Wilson was er niet blij mee, maar Lennart bleef toch.

De stiefmoeder sneed het vlees en iedereen kreeg een piepklein stukje. Ze vertelde onsamenhangende verhalen en Wilson zijn vader, broertje en halfzuster keken zwijgend naar hun bord. Wilson keek naar buiten en zweeg ook. De stiefmoeder zat steeds haar tieten onhoog te duwen en zonder aanleiding barstte ze nu en dan onbeheerst in lachen uit. Ze stonk. Tipte haar sigaret af in het eten dat op haar bord lag en nam daarna nog een hap. Lennart schoof zijn stoel weg en liep gauw naar buiten, pakte zijn fiets en vluchtte het tuinhek uit. Achter zich hoorde hij Wilson schreeuwen.

Wilson kwam hem daarna niet meer opzoeken en Lennart ging zelf ook niet meer naar Wilsons huis. Als ze elkaar ergens tegenkwamen knikten ze naar elkaar, maar zonder elkaar aan te kijken. Lennart miste Wilson vreselijk, maar hij wist dat het nooit meer goed zou komen. Hij begon nog verwoeder aan de randen van het gat te peuteren. Hij keek niet meer naar die kutboten. Hij zat niet meer aan die kuttafel, luisterde niet meer naar die kutvader en hoefde zijn kutgeld ook niet meer.

De lege flessen puilden uit de kast onder de trap, de vuile vaat stond een meter hoog opgestapeld op het aanrecht. Het rook naar schimmel, wiet en wanhoop in het huis. Toen pa Lennart maande om eens schoon te maken beet deze hem toe dat hij zijn huishoudster niet was. Hij zag daarna zijn vader soms weken achtereen niet.

Lennart bleef verwoed peuteren aan het gat en op een dag was dat groot genoeg om doorheen te stappen. Dat deed Lennart en hij ging daadwerkelijk mensen op hun gezicht slaan, gewoon, omdat het kon.

© Lammert Voos

0efd26f8-434a-497e-9825-743a7dea451b

Tagebuch 31-10-2018 (slot)

Een verandering komt nooit alleen. Er schijnt een spreekwoord te zijn dat net even anders luidt, maar daar weet ik verder niets van. We hebben die verandering ingezet door vorig jaar het keurige dorp vol keurige mensen aan de rand van de keurige Veluwe te verlaten en naar Noord-Groningen, mijn geboortegrond, te gaan. Hier zijn ook wel minder keurige mensen en heb je sowieso meer gemêleerd volk. De huizen zijn betaalbaar, het uitzicht weids en het wad nabij en dat trekt een bepaald soort volk naar deze streken, doorgaans mensen met een open blik. De mensen die hier van oudsher wonen zijn tamelijk rechtstreeks en houden er een droog soort humor op na en dat ligt me wel. De combinatie van dit soort volk maakt mijn huidige dorp Vierhuizen een verademing vergeleken bij het vorige, Welsum. Sprak ik daar bijna nooit iemand, is een praatje met deze en gene hier dagelijkse kost.

Ik heb er vrienden bij gekregen, hier in het dorp en ook in stad Groningen. Daarnaast ben ik er fysiek enorm op vooruit gegaan. Toen we hier kwamen liep ik nog op krukken, was ik moedeloos van alle gewrichtsontstekingen, maar inmiddels zie ik terugkijkend dat ik een aantal fysiek zware klussen heb gedaan. Ik heb gesloopt en gebouwd, ik heb zelfs een aantal bomen omgezaagd. (Sorry Idéfix)

Gister kreeg ik een mail van mijn Groningse uitgever dat mijn Groningstalige bundel Mien Zinloze Aanwezeghaid verramsjt gaat worden. Dat was de laatste dichtbundel van mij die nog in de handel was. Geweldige titel eigenlijk. Een aantal maanden geleden stopte Ton van ’t Hof om voor mij begrijpelijke redenen met uitgeverij Stanza en dat betekende dat Rigor ook al niet meer verkrijgbaar is. Oudere bundels waren uitgebracht bij het lang geleden ter ziele gegane Contrabas, dus ook al niet meer verkrijgbaar.

9200000002618909

Dit klinkt misschien raar, maar ik vind het niet zo erg. Het was nooit mijn ambitie om dichter te worden, ik rolde er via het tekstschrijven voor mijn band vanzelf in. Ik heb er met minimale inzet het maximale uitgehaald. Want net als vroeger met de muziek heb ik een broertje dood aan het hysterische gedoe om alles heen. Nadat ik een jaar poëzieles gaf aan de schrijversvakschool van Groningen was de lol er ook wel wat vanaf; ik vond mijn eigen werk tamelijk middelmatig. Dat ik het nog zo ver geschopt heb is eigenlijk best bijzonder. Vele goede recensies, mooie optredens op festivals en ik heb er een paar goede vrienden aan overgehouden. U hoort mij niet erger klagen dan anders.

Dankzij mijn vorige blog VoosFruit kreeg mijn proza ook al de nodige waardering. Ik weet nog dat ik in hetzelfde weekend benaderd werd door drie grote uitgevers en dacht helemaal binnen te zijn als schrijver. Ik tekende een contract bij een grote speler in het veld. Ik leverde een boek in en was vervolgens beledigd door de kritiek. Het contract werd ontbonden en ook dat vond niet zo erg, ik gaf het boek met toestemming uit bij een kleine uitgever. Een kleine tien jaar later snap ik de kritiek wél.  Het had beter gekund en ik ben er niet rouwig om dat dit boek ook al niet meer te krijgen is. Er verschenen ook nog twee verhalenbundels bij deze uitgever, waarvan een zowaar genomineerd werd voor een literaire prijs. Maar ook deze samenwerking liep spaak. Ik ben lastig, eigenwijs en niet altijd even redelijk.

Ik kreeg de kans om Abdou en de Anderen bij AFdH uit te brengen, een boek dat gaat over migratie en mijn ervaringen met asielzoekers. Ik heb jaren aan dat boek gewerkt en hoewel het niet erg dik is, is dit het boek van mijn leven. Als ik klem zat in het manuscript werkte ik aan andere verhalen, waaronder een novelle die Malterfoske heet. Tot mijn verbazing gaat AFdH die novelle ook uitbrengen. Ik ben er blij mee, want denk eindelijk mijn eigen stem als schrijver gevonden te hebben. Ik schrijf nogal puntig, geloof ik, nogal rechtstreeks en krijg wel eens te horen dat mijn verhalen altijd somber en heftig zijn, maar niet zonder humor.  Ik kan alleen als weerwoord geven dat ik het niet verzin, maar een deel, en dat ik ook niet gevraagd heb om een heftig leven toen ik geboren werd. Ik doe het er maar mee.

Ik werk ook nog aan een roman, Canisius, Maar ik zie wel hoe dat loopt. Ik heb overwogen om Tagebuch uit te brengen als boek, ook omdat me dat door weer een ander uitgever gevraagd is, maar ik vind het te particulier, het staat op internet, dat is wat mij betreft genoeg. Voorts heb ik nog wat nieuwe verhalen, maar niet genoeg voor een bundel, misschien doe ik er ooit nog wat mee, maar nu nog niet.

De grootste verandering is dat ik grootvader geworden ben van een wolk van een meisje. Wie had dat ooit gedacht? Ik zeker niet. En het voelt echt anders, het voelt echt als een nieuwe levensfase. Ik voel me rustiger en zelfverzekerder dan ooit. Ik weet wat ik wil en wat ik niet wil en hou nog steeds niet van andere flauwekul dan mijn eigen. Maar ook die hangt me weleens de keel uit en daarom heb ik besloten te stoppen met dit Tagebuch.

Ik zal heus nog wel verhalen en nieuwtjes op dit blog blijven plaatsen en mocht er incidenteel nog een gedicht komen dat de toets van mijn kritiek kan doorstaan pleur ik het er ook wel op. Voor nu: arriverdeci en denk maar zo dat ieder zijn of haar aanwezigheid in principe zinloos is.

Behalve die van mijn kleindochter natuurlijk.

© Lammert Voos