Tagebuch 25-2-2017

Vandaag heb ik een slechte dag. Gisteren trouwens ook. Na de prednisonkuur dacht ik dat ik wel weer wat korte wandelingetjes met de hond kon maken, maar dat moest ik ernstig bezuren. Vergeet het maar Voos, wandelen zit er niet meer in. Gister was mijn linkervoet heel pijnlijk en mocht ik aan de diclofenac, ook al zo’n fijn middel.

Het begint nu toch wel tot me door te dringen dat het niet meer beter wordt, dat ik me er beter maar bij kan neer leggen en dat ik moet stoppen me schuldig te voelen tegenover S, omdat zij nu voor de hond opdraait. Ik kan het niet meer. Punt. Accepteer het maar. Dat valt me niet mee.

Ik was immers altijd die beresterke vent die alles kon, die in zijn eentje een wasmachine tilde. En als het niet lukte, dan vloekte ik een keer en dan lukte het vervolgens wel. Maar ook dat mechanisme werkt niet meer. Dus heb ik zojuist een mailtje gestuurd dat ze de roeitrainer die ik huur wel weer kunnen ophalen. Een week heb ik daar van kunnen genieten en toen ging het helemaal mis.

Ik ben dus best wat somber, maar ach, dat ben ik vaker geweest, dus het gaat vast wel weer over. Maar dat de reumatologe steeds nieuwe onderzoeken weet te verzinnen stemt me niet echt optimistisch.

Laten we praktisch blijven: als het huis waar we een bod op hebben gedaan niks wordt –en dat verwacht ik nog steeds- gaan we op zoek naar een gelijkvloerse woning. We hebben al iets gezien en gaan die binnenkort van binnen bekijken. Dat is waarschijnlijk een woning die we gemakkelijker aan kunnen passen aan onze milieuwensen ( zonnepanelen, zonneboiler, isolatie, warmtepomp) binnen ons budget. Bij het huis waar we nu op azen komen we wat dat betreft waarschijnlijk niet verder dan isolatie.

Aangezien het naar zich laat aanzien vooral mijn linkervoet –de schakelvoet- is die aangetast is, zullen we in een automaat moeten blijven rijden. We hebben nu ook een automaat, een Suzuki Alto. Prima karretje, maar op de lange afstand best vermoeiend om in te rijden en als het zo stormt als deze week, is het verstandiger niet de weg op te gaan. Hoewel. Met mijn gewicht zal dat misschien nog meevallen ook.

Schrijven wil even niet. Lezen ook niet. Ik lees momenteel alleen thrillers en dat kost me al moeite genoeg. Ik ben zo vreselijk moe. Dat zal wel van al die kutpillen komen en constante pijn kost ook best veel energie. Ik schrijf dit alleen nog om ervoor te zorgen dat deze gedachten niet steeds in kringetjes blijven draaien in mijn hoofd. Nu staat het op een rij, nu zijn al die gedachten vrij, nu kan ik rustig een dutje gaan doen op de bank.

© Lammert Voos

 

 

Advertenties

Tagebuch 23-2-2017  

 

Nooit gedacht dat het nog eens zou gebeuren, maar ik ben toch in de wereld van de gebakken lucht beland. De wereld van papier, waar zaken nauwelijks concreet zijn, waar lege woorden heersen en je zaken moet willen zien die niet aanraakbaar zijn. Een wereld die alleen kan bestaan als iedereen braaf het spelletje meespeelt.

Bij de grote jongens handelt het dan om aandelen, belastingdeals en al dat soort onfrisse zaakjes. Niets gaat werkelijk van hand tot hand, alleen de afspraken daarover en de rijkdom is vooral virtueel, want er is geen mens die harde valuta in het handje krijgt. De rijkdom is er niet minder om. Wil men een revolutie, dan zou men kunnen zeggen dat we hen niet meer geloven, dat het niet bestaat, dat we er niet meer in meegaan. Boter bij de vis. Zomaar een wild idee.

Nu zit ik dus min of meer in diezelfde wereld. Ik bied geld dat ik niet heb (hypotheek) op een huis en dan bieden de huidige eigenaren dat niet bestaande geld op een ander huis en daartussen zitten makelaars die geld verdienen dat er niet is en de banken strijken rente op die alleen op papier bestaat omdat dat zo afgesproken is.

Het is eigenlijk te idioot voor woorden. Ik zou dan ook enig begrip moeten kunnen opbrengen voor de eigenaar van het huis dat wij willen kopen. Hij doet niet mee aan spelletjes. Het spelletjes werkt namelijk zo: hij vraagt een prijs voor een huis en dan gaan wij met hem onderhandelen zodat wij minder geld dat we niet hebben hoeven te lenen. Maar hij wil niet onderhandelen. Dit is het. Geen spelletjes.

Eigenlijk kan ik dat wel waarderen, maar het gaat zo ontzettend tegen ons eigen belang in. En ik heb het gevoel dat hij mijn tijd verknoeit. Ik had graag vooraf geweten hoe het er voor stond. Voor ik ging dromen en fantaseren over dat prachtige huis.

De onderhandelingen zitten vast voor ze goed en wel zijn begonnen. En wat doe ik? Ik probeer de eigenaar het spelletje binnen te trekken door hem te provoceren met een heel laag bod. Met geld dat ik niet heb. Gebakken lucht. Ik corrumpeer mezelf en ik corrumpeer hem. Want ik moet mijn zin natuurlijk wel hebben. Homo, homini lupus (Plautus). De mens is een wolf voor zijn medemens.

© Lammert Voos

 

 

Tagebuch 20-2-2017

Hoewel ik vrede heb gesloten met mijn jeugd, acceptatie is immers een groot goed en hoop doet wenen, het zal allemaal niet meer veranderen, loop ik soms toch nog tegen mijn demonen op.

Gister hadden S en ik geen zin om te koken, dus doken we in de Alto en reden naar de cafetaria in Terwolde, hier een kleine tien kilometer verderop. Toen we zaten te kanen (eten doe je in een restaurant, niet in een cafetaria) zag ik uit een raam een jongen van een jaar of veertien op een haveloze fiets heen en weer rijden door de straat. Na enige aarzeling kwam hij de cafetaria binnen en hij vroeg of hij iets voor één euro kon bestellen. Nee, daar kon men niet aan beginnen, maar ja hoor, hij mocht best even naar de wc.

Ik keek of ik nog wat los geld in mijn zak had, ik wil ook graag dat anderen zich om onze kinderen bekommeren, maar dat was niet het geval. Ik had alleen een briefje van vijf. Dat vond ik dan weer net wat te gek. Dat is onzin natuurlijk, want vijf euro kan ik best missen. Ik verviel in besluiteloosheid en voor dat ik echt iets had beslist was de jongen al weggefietst. Het zat me niet lekker. Er was iets waar ik de vinger niet op kon leggen.

We reden naar huis en S constateerde dat er iemand op een fiets zonder licht reed op de schemerige dijk. Best gevaarlijk. Het was diezelfde jongen, nu vijf kilometer verder naar het noorden, op weg naar god mag weten waar. Een enorm ongemak bekroop me, maar weer kwam ik niet tot handelen. Kwam het van de prednisonwaas of word ik gewoon oud? Weer kon ik niet de vinger op mijn onbehagen leggen.

’s Avonds in bed wist ik het ineens: de jongen was van huis weggelopen. Ik had zijn zoekende en geslagen lichaamstaal herkend. Ik had hem gevoeld. Ik ben immers zelf ook geregeld van huis weggelopen toen ik zo oud was. Gevlucht naar mijn lieve zus. Maar ook dagen gedwaald in het niets, in de weilanden, door de stad. Alles was dan goed, zolang ik maar uit de buurt van mijn ouders en al die spanning was.

Ik vertelde S over mijn gevoelens en angst en dat ik het gevoel had dat ik iets had moeten doen. Ze trachtte me gerust te stellen en zei dat ze de jongen wel eerder had gezien in een dorp aan de overkant van de rivier.

Ik heb relatief rustig geslapen en vanochtend vond ik niets op internet over een vermiste jongen, maar helemaal lekker zit het me nog steeds niet.

© Lammert Voos

Tagebuch 17-2-2017

Vannacht heb ik het eerste deel van Canisius afgemaakt, deel twee had ik al af, maar ik werk momenteel niet meer lineair. Ik denk dat ik hierna het slot ga afmaken. Deel drie zie ik wat tegenop, vanwege de gewelddadigheid van de materie. Maar ik kan het wel, Abdou en de anderen, mijn vorige non-fictieboek, was immers ook een ernstige vorm van zelfkastijding die meer dan vijf jaar geduurd heeft.

Canisius is fictie, maar dan om mezelf de vrijheid te geven om te doen wat ik wil. Het boek is gebaseerd op het leven van een oom van me, over de mythes die hij creëerde, over wat hij verzweeg, over schuld, over keuzes, over geen keuzes, over afkomst, over het leven van buitenstaanders. Kortom, ik weet het zelf ook niet precies. Ik verwacht niet dat het uitgegeven gaat worden, omdat ik ongebreideld aan het associëren ben en ook niet precies onder woorden kan brengen wat ik bedoel. Het geeft ook niet. Dat mijn denken anders is, is ook mijn creativiteit en ik laat het hele idee los dat ik iets moet produceren dat verkoopbaar is. Ik schrijf mijzelve en dat proces telt. Ik mag gewoon zijn wie ik ben, dat is goed genoeg en als anderen dat niet begrijpen, dan begrijp ik dat.

Ik ben een eclectische lezer, is lees alles wat los en vast zit. Van psychiatrische boeken tot thrillers, van poëzie tot historische boeken en overal pik ik wel iets van op. Ik ben een gigantische spons. Wel een beetje jammer dat ik daar dan ook nog op lijk.

Straks ga ik beginnen met Judas van Amos Oz. Vroeger heb ik weleens wat van hem gelezen en ik meen me te herinneren dat ik dat erg goed vond. Ik kan ook niet alles lezen en onthouden, God bewaar me. Er zit op dit boek zo’n akelige rode DWDD-sticker en dat is wat mij betreft geen aanbeveling. Doorgaans mijd ik die boeken. Niet dat ze niet goed zouden zijn, dat kan ik niet beoordelen, maar het mechanisme dat je pas gelezen wordt als je in zo’n programma zit en dat uitgevers zich daar aan aanpassen en daar in meegaan, heb ik moeite mee. Dat is hypocriet van me, want ik draai zelf keurig mee in deze kapitalistische samenleving en profiteer er ook van. Zou ik zelf nog zo principieel zijn als ik in de positie zou komen om in die programma’s te mogen opdraven? Ik kan nu gemakkelijk beweren van wel, want weet dat met wat ik maak dat nooit zal gebeuren.

Van het huizenfront geen nieuws. De inleidende beschietingen tussen de wederzijdse makelaars zijn begonnen en het is nu een kwestie van geduld. Niet mijn sterkste kant. Dat is de zelfkant.

© Lammert Voos

 

Tagebuch 14-2-2017

Gister heb ik een traantje geplengd voor Robert Fisher, de zanger van Willard Grant Conspiracy die overleed aan kanker. Hij was een vriend, maar niet in de traditionele zin van het woord. Toen ik in de jaren negentig opgenomen was in een inrichting draaide ik onafgebroken zijn plaat Mojave op mijn discman. Niet toevallig de naam van een woestijn. Ik was zo godsgruwelijke eenzaam en de plaat verwoordde die eenzaamheid en dat maakt minder eenzaam. (Wat weer een rare zin, maar goed, we kunnen niet allemaal briljant zijn) Een jaar of tien later ontmoette ik Fisher naar aanleiding van het overlijden van een wederzijdse vriend. Ik vertelde hem over de grote rol die hij gespeeld had in mijn leven, eigenlijk vooral overleven. Hij voelde zich daar ongemakkelijk bij, maar vatte het wel op als compliment. Zijn eigen leven was overigens ook niet bepaald gemakkelijk.

Over eenzaamheid. Ik las de laatste dagen het boek Vandaag koop ik alle kleuren van Karin Anema. Dit boek is het verhaal van het leven van Twan, die zijn hele leven leed aan psychoses. Eveneens een verhaal over het onvermogen verbinding te maken met de buitenwereld. Het is net zo goed het verhaal van het onvermogen en vooral de onwil van de buitenwereld om zo’n man te trachten te begrijpen. De gedachten hierover kon goed gebruiken in mijn boek Canisius, dat ook over buitenstaanders gaat. Ik schreef: ‘Dergelijk gedrag wordt gezien als abnormaal en er worden al snel psychiatrische etiketten opgeplakt, maar zijn het niet veel meer overlevingsmechanismen? En volgens mij kan er best een alternatieve werkelijkheid zijn; de massa, het volk, wauwelt ook maar na wat het voorgekauwd krijgt. En waarom dienen wij eigenlijk te veranderen? Omdat we onveilig voor die massa zijn, omdat we aan hun werkelijkheid tornen? Ik loop liever naast de kudde om te observeren, dat amuseert me. Ik heb geprobeerd ervoor uit te lopen, maar daar ben ik niet sterk genoeg voor. Achter de kudde aan loop je alleen maar in de stront van een ander en ik ben te lui om iedere dag mijn schoenen schoon te maken.’

Ik heb de laatste week weer geregeld aan mijn boek gewerkt, ook om mijn hoofd te ontlasten. De koop van een huis is geen sinecure en het blijft maar malen. Gister hebben we een hele grote stap gezet. Er gaat een aannemer aan de slag voor een bouwrapportage over de staat van het huis dat we op het oog hebben en daarna gaat een makelaar een bod voor ons doen. Het is zo onwezenlijk dat zowel S. als ik er niet echt goed bij kunnen. We wachten nu rustig af, hebben ook niets te verliezen en dat is wel een geruststellende gedachte.

Ik kan weer lopen. Vorige week was een drama met als dieptepunt een acute artritis in mijn rechterknie, terwijl ik die nota bene altijd in de linker had. Omdat niets meer hielp, kreeg ik een paardenmiddel, namelijk prednison. Dat werkt dus (nog) wel. Helaas krijg ik er ook koppijn van, maar ach, dat ben ik wel gewend eigenlijk. Binnenkort een MRI-scan om eens goed te kijken wat de schade nou echt is. Want daar zijn nog de knarsende heupen, de schrijnende hiel/enkel, nu dus twee opstandige knieën en een kleine teen die er uitziet als een aardappel. Dat laatste is wel toepasselijk eigenlijk, nu de plannen om naar het Hogeland te remigreren in zo’n ver gevorderd stadium zijn. Heel toevallig kreeg ik net een mail van het Groningstalig online tijdschrift Oader dat ze een gedicht van me gingen plaatsen. Ze hadden er nog wel wat aan geschaafd. Vroeger zou ik boos geworden zijn, maar inmiddels weet ik dat het dan alleen beter wordt. Bovendien is Jan Glas één van de redacteuren en hij is de beste dichter van Groningen en bovendien een aimabel mens.

Toeval dat het nu geplaatst wordt? Ik geloof niet in toeval. Gelukkig word ik (nog) niet behandeld voor magisch denken.

© Lammert Voos

 

 

 

Tagebuch 8-2-2017

Knak, zei de knie, en toen stond alles stil. In ieder geval mijn leven wel even. De pijn was zo intens dat ik vanochtend al om half vijf beneden zat te eten om diclofenac te kunnen nemen. Was het toeval dat de reumatologe vanochtend belde dat er een MRI-scan van me gemaakt moet worden? Ik geloof daar niet zo in. Wat weet zij dat ik niet weet? Ik word er in ieder geval heel moedeloos van. Steeds als ik weer wat in beweging ben krijg ik een nieuwe ontsteking of blessure.

Slecht nieuws over mijn neef en vriend J. Hij blijkt ernstig ziek. Hij heeft een kwaadaardige tumor in zijn buikholte. Dat hij vandaag zijn telefoon niet opneemt is een slecht teken. Ik ben met hem opgegroeid en we zijn op drie maanden na even oud. We zijn ons hele leven al heel close, ondanks het feit dat we elkaar niet echt vaak zien. Ik ben bang. Echt bang. Er zijn verdomme zoveel mensen ziek in mijn omgeving, heel akelig, en het is veelal kanker. Normaliter kan ik overal wel grappen over maken, maar vandaag kan ik de hele dag wel janken, en ik heb dat ook al gedaan.

Het stomme is dat we een huis in de buurt van Electra (De Waterwolf) gevonden hebben dat we allebei zien zitten. We zijn nu in gesprek met een aannemer over energiebesparende maatregelen, maar vanochtend opperde S. dat het misschien ook geen gek idee zou zijn om een slaapkamer op de begane grond te laten timmeren  in verband met mijn wappergewrichten. Als we weten wat we nodig hebben voor de hypotheek, gaan we een bod doen.

Gister liet ik Maat Martin de foto’s van het huis zien en toen ik vertelde wat mijn werkhok zou worden vroeg hij of ik al gezien had dat daar tralies voor de ramen zitten. Later vroeg ik ernaar aan S., of zij dat al gezien had. Ze glimlachte liefjes edoch enigszins raadselachtig, maar gaf geen antwoord.

Nee, ik geloof niet zo in toeval.

© Lammert Voos

Tagebuch 4-2-2017

Gister was een rare dag. Om zes uur werd ik ruw gewekt uit een droom waarin alles om me heen instortte door de buurman die met slaande deuren naar zijn werk vertrok. Hij gelooft kennelijk in gedeelde smart en dat is hem goed gelukt want ik had direct een barstende koppijn. Daarnaast moest ik naar de reumatologe, ook al geen hobby van me. Afijn, ze wist het niet. De pijn in de voet kon jicht zijn, maar op de ene röntgenfoto was op hiel iets te zien wat er niet hoorde, maar op de andere niet. Dus moesten er nieuwe foto’s gemaakt en over een tijdje een echo. Omdat ik ziek word van de anti-jichtpillen kreeg ik een kilo diclofenac mee met de opmerking: ‘Ik hoop dat het geen jicht is, dan kan ik er wat aan doen.’ Merkwaardig.

In de auto, terug naar huis, ging ik me steeds zieker voelen. Ik was de hele ochtend al misselijk, maar weet dat aan slaapgebrek en hoofdpijn. Mijn hoofd trok letterlijk dicht. Direct naar bed. Een akelig griepje, dat ook vandaag nog niet voorbij is. Spierpijn, koppijn, snot, gelukkig niet meer zo misselijk.

Trouwens best wel een beetje raar: mijn ouders hebben heel erg hun best gedaan om uit Groningen weg te komen, uit die kleine arbeidershuisjes en wij doen vreselijk ons best om terug te gaan en zo’n huisje aan te schaffen. Op het moment dat ik dit schrijf krijgt S een update van Funda en ziet een fantastisch huisje vlakbij het Reitdiep.  We krijgen het er allebeide warm van en ik heb direct gebeld voor een afspraak tot bezichtiging. Dat wordt weer weinig slapen de komende week.

Inmiddels begin ik de terminologie van de makelaarspraatjes aardig te doorgronden. Charmant en knus betekent klein rothokje. Authentieke details betekent sterk verouderd. Een klusproject voor iemand met doorzettingsvermogen en twee rechterhanden betekent kun je net zo goed direct afbreken. Gezellige dorpsvereniging betekent veel sociale controle.

Ondertussen leest S informatie voor over het dorp. De helft van de huizen heeft in 2015 aardbevingsschade opgelopen. Kut. We gaan wel kijken, maar het is best een domper.

© Lammert Voos

 

Tagebuch 2-2-2017

Doodmoe ben ik, want gister hebben we twee huizen in het noorden bekeken. Het wordt steeds duidelijker wat we willen en wat niet. En ik word weer ernstig geconfronteerd met het feit dat ik zo veel op mijn vader lijk: ik wil altijd voor een dubbeltje op de eerste rang en daardoor blijf ik in de rotzooi hangen. Bij het opruimen had ik het ook al: dit latje zus komt nog van pas, dat balkje zo is handig om te bewaren. Maar ik smijt nu alles weg. Ik wil niet dat mijn kinderen later containers rotzooi moeten opruimen als ik dood ben, zoals we bij mijn vader moesten doen.

Met een huis kopen moet je al helemaal niet voor een dubbeltje op de eerste rang willen. Het eerste huis dat we bezichtigden had een zichtbaar doorgezakt dak en de makelaar probeerde ons wijs te maken dat dat niet erg was. We zagen dat aan de binnenkant van het dak, op zolder, ook iemand gedacht had dat latjes zus en balkjes zo nog van pas kwamen. Bovendien was het schilderwerk rondom abominabel. Wat een prutswerk. Ik krijg daar overigens wel zelfvertrouwen van, want nu pas weet ik goed op waarde te schatten hoe zorgvuldig ik bij mijn dochter geschilderd heb.

Het tweede huis was op zich goed en had achter een prachtig uitzicht over de akkers, maar de huizen in het streekje waren zo dicht op elkaar gebouwd dat zelfs onze kleine auto de garage niet binnen zou kunnen komen. En we merkten allebeide hoe belangrijk ruimte om en rond het huis voor ons is.

De slagroom op de taart was wel dat de eerste makelaar ’s middags al belde dat ik toch eigenlijk direct moest beslissen. Moet je net bij mij zijn. Ik ben net een ezel: trek je me aan de staart, ga ik juist de andere kant op. S klaagt daar ook wel eens over. (Deze zin zou je heel verkeerd kunnen opvatten, maar dat laat ik ter verantwoording van de lezer.)

Omdat we er toch langsreden heb ik nog even het kerkhof van Zuurdijk bezocht. Altijd raakt mijn gemoed daar ernstig beklemd, ik kan slecht tegen de praalgraven van de herenboerenfamilies en het contrast met de sobere steentjes van opa Lammert, opoe Grietje en tante Lolkje. Op de armengraven waar hun jonggestorven kinderen rusten staat gelukkig nu ook een steen, geschonken door import Zuurdijksters.

Even een generalisatie: je kunt goed zien waar import woont en waar niet. Dat spreekt niet in het voordeel van de Groningers, helaas. S moet er wat om lachen, maar ik heb last van plaatsvervangende schaamte. We bekeken ook een huisje waar iemand met de achternaam Voos naast woont. Vast een achterneef die ik niet ken, maar meine Güte, wat een zootje. Sommige dingen veranderen kennelijk nooit. De wind daarboven ook niet, het was smerig koud, isolatie is dus belangrijk.

 

© Lammert Voos