Tagebuch 30-5-2017

Ik zou hier op de boerderij van schoonzus en zwager eindelijk de door Jan de Jong gecorrigeerde versie van Canisius uitwerken, maar ik kom er niet aan toe. Het is niet dat ik nou zo vreselijk veel doe, maar ik ben de constante interactie met andere mensen duidelijk niet meer gewend en dat trekt me leeg. Vandaag vertelde mijn lichaam dat ik pas op de plaats moet maken middels een jichtaanval. Dus gooi ik er maar weer Colchicine in, puur gif dat je laat schijten als een wielrenner.

Gister zijn we met de pleegdochter van schoonzus en zwager een dagje naar het strand geweest. Volgens het KNMI zou de wereld zo’n beetje vergaan, maar we hadden er gelukkig mooi weer bij. Op het terras van een strandtent in Noordwijk verbaasde ik me weer over het totale gebrek aan gene van sommige mensen. Mensen die hun kinderen en beesten maar lieten aanrotzooien tussen de tafeltjes.

Ik begrijp best dat je in de zon, op het strand, zo weinig mogelijk kleren aan wilt hebben, maar de uierparade op het terras stuitte me toch lichtelijk tegen de borst. Ik drink mijn koffie graag zwart en zonder flauwekul. Ik zit toch ook niet met ontblote geslachtskenmerken op een terras? Ben benieuwd hoe lang het zou duren als ik dat wel deed.

We aten later in Bloemendaal, bij een restaurant dat ’t Eindpunt heet. Prima bediening, aardig eten voor weinig geld. De honden waren vreselijk tekeer gegaan op het strand en de hond van zwager en schoonzus had veel te veel zeewater gedronken, waardoor ze misselijk en dorstig was. Maar als ze dronk begon ze direct te braken, dus moesten we haar remmen. Daarom zat ze onder het eten nogal te jeuzelen. Een man een tafeltje verder zat zich duidelijk te ergeren. In plaats van dat hij vroeg of we de hond wilden remmen zat hij passief agressief moeilijk te kijken. Tot ik me toevallig omdraaide. Ik deed niks, keek niet moeilijk, had het eerst niet eens door, maar de man schrok zichtbaar en bleef daarna braaf met zijn aandacht bij zijn tafeldame.

Die tafeldame was een jongedame van een jaar of vijfentwintig, meneer zelf was een vijftiger. Ik hou er erg van om gesprekken af te luisteren, nieuwsgierig als ik ben en hoorde dat het meisje niet al te nozel was en eigenlijk niets wilde weten van de voorstellen van de man, maar de zachte dwang was onmiskenbaar. Ik overwoog nog even onze hond over zijn voeten te laten kotsen, maar al snel stapten ze in zijn auto. Een Audi natuurlijk.

Thuisgekomen bleek de boerderij nog steeds niet weggevaagd door de apocalyptische stormen van het KNMI en dus kon ik gewoon mijn mail lezen. Eentje van de woningbouwvereniging. De vorige kandidaat bracht haar vruchtwater elders en er was een nieuwe kandidaat die vanochtend al belde. Zij kondigde aan de woning sowieso te nemen en ze wilde alleen komen kijken om te zien wat ze over kon nemen. Zo mag ik het graag horen. Misschien geven we haar wel geld toe als we die verrekte laminaatvloer er niet uit hoeven te halen, maar dat gaan we haar mooi niet vertellen. Morgenavond gaan we naar huis, donderdag komt ze kijken. Afgelopen zaterdag was ik even thuis om de post te halen en vluchtte na vijf minuten weer weg vanwege de krijsende buurvrouw. Hopen dat die donderdag even haar bek houdt. Nog drie weken tot de verhuizing, het schiet lekker op.

© Lammert Voos

tractor

 

 

 

 

 

Advertenties

Tagebuch 26-5-2017

Hemelvaartdag. Nog een maand tot de verhuizing. We passen op de (zorg)boerderij van zwager en schoonzus, op hun pleegdochter, op de hond, boerderijbeesten en vliegen. S en pleegdochter houden zich bezig met de menagerie en ik ben er vooral als sfeermaker. Verder kan ik niet te veel vertellen, want voor je het weet heb je van de bond van boerderijvliegen een claim tot schadevergoeding voor privacyschendingen aan je broek.

Afgelopen maandag waren er mensen om ons huurhuis te bezichtigen. We waren daar best blij mee, zo zouden we weten wat we uit de woning moeten slopen en wat mag blijven zitten, zoals de laminaatvloer. S had een strategie bedacht voor de verkoop van de spullen en het leek mij raadzaam om even te wieberen, aangezien ik vaak zo slecht mijn mond kan houden. Ik ben een soort steigerladder gaan kopen. Dat lijkt ons handig omdat er in het nieuwe huis plafondbalken geschilderd moeten worden en na het schilderavontuur van vorig jaar bij jongste dochter op de boerderij weet ik hoe moeizaam het is om boven je hoofd te werken.

Toen ik thuis kwam was S tamelijk chagrijnig. De bezichtigers waren misprijzend door het huis gelopen. Niets leek goed genoeg en er was met geen woord gerept over overnames. We weten nu niet eens of ze het huis geaccepteerd hebben. De vrouwelijke helft van het stel, een meisje van een jaar of twintig, was hoogzwanger en stond op knappen, dus het leek ons dat ze niet veel te kiezen hadden. Maar niet goed genoeg? Prima. Sloop ik alles er uit. Ze hadden het gratis mogen hebben, maar nu niet meer. Ik had geen zin om mijn humeur te laten bederven.

’s Avonds hadden we het er nog over en langzaam maar zeker gebeurde het toch. Teringlijers! Over schenden van de privacy gesproken. Over het binnendringen van je persoonlijke ruimte gesproken. S is heel resoluut: we laten niemand meer bezichtigen, ze komen maar terug als we weg zijn. Dat is ook precies wat ik denk.

Ik ben wel blij dat we even een week weg zijn, kunnen we volgende week weer met frisse tegenzin verder. In ons hoofd wonen we al in Vierhuizen. We zijn die ruis die de woningbouwvereniging veroorzaakt goed zat. Wat wel relativeert is de bomaanslag in Manchester. Mijn God, wat bezielde die daders? Hoe ziek kan je universum zijn? Al die kinderen en hun ouders, het snijdt me door de ziel. Het zou trouwens eerder nieuws zijn als dat niet zo was.

Gisteravond met de pleegdochter Manchester United- Ajax gekeken. Lang geleden dat ik een hele voetbalwedstrijd zag en ik snap ook weer waarom. Al dat theater en verwende gezeur op het veld. Nee, doe mij maar wielrennen. Hoewel er veel minder stierenpoep geleuterd wordt,  worden daar tenminste mijn scabreuze voorkeuren nog bevredigd. En ik wil ook best eerlijk toegeven toe dat ik heel kinderachtig en voorspelbaar ben.

© Lammert Voos

DAh2WyWXgAEQXCp

 

 

 

Afhandig

ver weg, daar de lucht gebroken

in rood, ver weg van kommer

en in de slootkant zoemt stilte

laat ik alles zijn, wat het is

wat het was, ver weg is alles

 

schoon en stil de ademhaling,

de lucht ver weg, het gebroken zijn

zit ik in het riet, kwaakt daar

de haast, laat ik in het water,

laat het gaan, het is ver

 

de bergen, de sneeuw,

de regen, de kiezels onder

geschonden blote voeten

en iedere opwelling laat ik,

blaas ik achteloos weg

 

ver weg waait de smart,

de gruzelementen,

heelt het hart in stilte

wuift het riet heen en terug,

kijk ik naar de lucht, gebroken

 

mag er pas morgen

weer verlangen zijn,

ben ik nu

afhandig en voort

ver weg

© Lammert Voos

lauwersmeer3239

 

Tagebuch 19-5-2017

Nu en dan slik ik slaappillen om bij te tanken. Die pillen hebben als fijne bijwerking –niet ironisch bedoeld dit keer- dat mijn geheugen slechter wordt. Helaas doet het niets op dat vermaledijde ongebreidelde associëren en zaken die flink de hersenen ingebrand zijn worden ook niet uitgewist. De afgelopen week televisie kijken riep dus weer het nodige op en de niet chemische slaap was tamelijk onrustig, met dromen vol faalangst en mislukkingen.

We zagen Goede Hoop, over de invloed van Nederlanders in Zuid-Afrika. Apartheid is een wereldwijd bekend Nederlandse woord. Volgens sommige mensen in ons land en ook daar moet de Nederlandse cultuur als onaantastbaar gelden, ik schaam me er echter voor. De aflevering van gisteravond ging over jaren zeventig tot en met het heden, over bloedbaden in Soweto, de repressie, de blanke moordcommando’s, de moeizame transitie naar een multiculturele staat, de teleurstelling en de ambivalentie van de ANC, over gebroken beloftes. De les was dat macht hoe dan ook corrumpeert.

Ik herinnerde me ineens dat ik ook eens iemand ontmoet heb die bij de Special Forces gewerkt had. Dat was nota bene in het jaar dat Mandela vrijkwam, in 1990. Ik liep op proef een dagje mee als groepsleider in het gesloten jeugdinternaat van Harreveld, bij Lichtenvoorde, in de Achterhoek. De man die me begeleidde was een Zuid-Afrikaan van twee meter groot. Een beer van een kerel, met enorme handen, armen als boomstammen en schouders als de pijlers van een betonnen brug. De jongens op de afdeling hadden een heilig respect voor hem, maar niet voor mij.

Er was een jongen die met een riotgun tijdens een overval het been van zijn slachtoffer afgeschoten had. Een andere jongen, een roodharig spichtig ventje, liep me steeds te provoceren en uit te dagen. Mijn onderbuik maande me tot voorzichtigheid. Ik was bang. Echt heel bang. Ook voor mijn collega. Er hing een ongrijpbaar air om hem heen, iets dat voor mij onbenoembaar was. Toen ik later met vluchtelingen ging werken, zag ik dat vaker, voornamelijk bij mannen die hadden gevochten. Er was iets kapot wat niet te herstellen was en de oorzaak was niet alleen wat deze mannen ondergaan hadden, maar ook wat ze zelf gedaan hadden.

Na die dag liet ik Harreveld voor wat het was, niet iets voor mij, maar ik werd alsnog groepsleider op een minder zwaar internaat in Amersfoort. Ik was nog geen dertig, ik dacht toen nog dat ik alles kon en de wereld in mijn zak had. Uiteindelijk werd me vooral duidelijk dat ik zelf nog de nodige onverwerkte problemen had en totaal niet geschikt was voor dit werk. Het enige dat ik de kinderen te bieden had was branie en dat overlevingsmechanisme maakten ze zelf al tot uit den treuren gebruik van en was vaak ook de oorzaak van hun problemen.

We zagen onlangs nog een documentaire: Ik ben geen probleemkind, ik ben een uitdaging. Ik hoop dat die titel ironisch wel bedoeld was. Het ging over kinderen in een internaat in Noord-Holland. Ook bij hen was al iets kapot en de totale onmacht van die kinderen maakte de nodige tranen los bij S en mij. Het is zo oneerlijk: de ouders schieten te kort –ook vaak uit onmacht- en de kinderen zijn er het slachtoffer van. Sommige kinderen redden het, maar de meesten niet. Dat worden in veel gevallen zelf te kort schietende ouders.

Ik kon het niet helemaal los zien van het proces dat een vader voerde tegen zijn eigen zoon om hem te dwingen een chemokuur te ondergaan. Los van allerlei rationele argumenten voer je als ouder geen proces tegen je kind, als ouder dien je te allen tijde een veilige en beschermende haven te zijn. Overigens was ik dat zelf ook niet altijd, wellicht dat het me daarom zo stak. Splinter en balk, maar ik denk dat het proces vooral iets zei over de strijd tussen de ouders van het zieke kind.

Het valt niet mee kind te zijn. De wereld is onzeker en er wordt van alles van je verwacht. Iedereen heeft een mening over je, over wat je mankeert en wat je daar al dan niet voor moet slikken. En dan hoor je ook nog dat de wereld binnenkort vergaat. Dat is altijd al zo geweest, maar dat wil niet zeggen dat het niet zo is.

© Lammert Voos

46b66c5a217f607f0bbbda04a14cf544

Tagebuch 17-5-2017

Toen in 2008 De Welwillenden (Les bienveillantes) van Jonathan Littell in Nederlandse vertaling verscheen, was ik niet bijster geïnteresseerd. De roman leest als de biografie van SS-Obersturmbannführer Max Aue, die nauw betrokken was bij de Endlösung der Judenfrage. In de eerste plaats had ik weinig zin om te lezen over zo’n antipathieke hoofdpersoon en in de tweede plaats dacht ik inmiddels wel zo’n beetje alles te weten over de Tweede Wereldoorlog. Maar onlangs kwam ik het boek voor een knaak tegen in de ramsj en was ik ook weer in de materie verdiept, omdat ik zelf aan het boek Canisius werk, waarin deze onderwerpen een belangrijke rol spelen.

Ik las wat kritieken over het boek, die heel wisselend waren. Ik ergerde me aan een beschouwing in het Parool waar weer het gezeur stond dat een biografie niet zo gedetailleerd kon zijn en dat alle zijpaden de vaart uit het boek haalden. De criticus van dienst wist kennelijk niet wat het verschil is tussen een roman en een biografie, tussen fictie en non-fictie. Daarnaast prefereerde hij kennelijk hapklare brokken boven een roman van bijna duizend pagina’s. Geen vaart in een boek? Daarmee spoelde hij en passant even een groot deel van de wereldliteratuur door de plee.

Maar nu ik halverwege het boek ben moet ik toegeven dat hij gelijk had. Het gegeven van een idealistische technocraat die op kille wijze beargumenteert waarom de joden vernietigd moeten worden en daarmee zijn eigen ambivalente gevoelens uitschakelt is op zich wel heftig genoeg. Dat Jonathan Littell gemeend heeft ook nog een incestueuze relatie in het boek te verweven is een puur zwaktebod dat afbreuk doet aan de inhoud van het boek. Ik val niet echt over de vorm van de biografie, wel over de zucht naar overbodige sensatie.

Dat neemt echter niet weg dat het boek iets toevoegt. Hadden we al de clichés van de Pruisische houwdegens, de brute krankzinnige misdadigers en de meelopertjes, nu voegt Littell een nieuw beeld toe: de ontwikkelde carrièreofficier die moeiteloos de Griekse en Latijnse klassieken citeert en daarmee ook zijn misdaden rationaliseert. Niks banaliteit van het kwaad. Eerder: de moraal wordt bepaald door wie op dat moment aan de macht is. Dat maakt de hoofdpersoon tot een veel engere man dan de Nazi’s die ik tot nu toe kende, hij kan namelijk nooit schuld erkennen, want hij is ervan overtuigd dat wat hij doet alleszins redelijk is. Dat is voor mij een verontrustend gegeven.

Ik lees het boek waarschijnlijk niet uit. Vijfhonderd pagina’s van die waanzin is me vooralsnog wel genoeg, hoe het afloopt weet ik al. Helaas.

© Lammert Voos

51zcrJwcrWL._SX330_BO1204203200_

Tagebuch 14-5-2017

Alsvanwege mijn grenzeloze nieuwsgierigheid keek ik op de site van de woningbouwvereniging om te kijken hoe men de woning waar we nu nog in zitten aanbiedt. Bewoners uit Welsum krijgen voorrang, las ik en daar moest ik best een beetje om lachen. Dat was namelijk acht jaar geleden, toen ik hier kwam, ook al zo. Maar bewoners uit Welsum willen hier helemaal niet wonen, terwijl de andere huurwoningen in de straat gemiddeld maar een paar weken leeg staan en het verloop groot is. De vraag naar starterwoningen in het dorp is sowieso groot, vandaar dat er weer volop gebouwd wordt. Acht jaar geleden was dat ook al zo en toch had mijn woning –ik trok er eerst solo in- meer dan een half jaar leeg gestaan. Ik weet nu hoe het komt.

Mijn buurvrouw is een beroemdheid in het dorp. Ze is zo’n beetje uit iedere vereniging gegooid waar ze ooit bij gezeten heeft, want ze maakt overal ruzie. Ze is best sneu, want zwakbegaafd en behept met de sociale intelligentie van een tijgerhaai. Haar verdediging is immer en altijd de aanval en dat heeft haar doodeenzaam gemaakt. Maar er valt niet mee om te gaan, hoe dan ook, en we hebben het echt wel geprobeerd.

S verbond haar wonden als ze weer eens van de fiets gesodemieterd was. Allebeide deden we kleine reparaties voor haar, van antenne tot telefoon, en ik hing tijdens de dodenherdenking de vlaggenmast voor haar op. Ik heb haar vogelhok een keer gerepareerd en constateerde dat het dak krioelde van de mijt en ander ongedierte. Dat ik haar vertelde dat ze er een nieuw dak op moest laten zetten en dat daarom haar vogels steeds dood gingen was een boodschap die me niet in dank afgenomen werd. Ik was er uiteindelijk verantwoordelijk voor, volgens haar, dat haar vogels kapot gingen. Ik zag haar eens een nog levende, door de mijt half opgevreten kanarie in de container gooien en zei dat dit toch echt zo niet kon.

Het escaleerde pas echt toen we haar vroegen iets aan de muizenoverlast te doen. Vogelvoer trekt immers knaagdieren aan. Daarnaast houden wij niet zo van militaire marsmuziek en ook die moest zachter. Aanvankelijk vroegen we het vriendelijk, maar dankzij haar scheldkanonnades verdween onze welwillendheid als een kievitkopje onder een maaimachine. (dat is een oud-Welsums spreekwoord) Er zijn grenzen. S probeert altijd wel vriendelijk te blijven, maar zelfs bij haar gingen de deuren dicht en als bij S de deuren dicht gaan, heb je het echt wel heel bont gemaakt.

De afgelopen tijd gingen de kanaries weer een voor een dood, tot er slechts één eenzaam geelwit vogeltje overbleef. Die is nu ook weg en nu zitten er weer helgele vogels in het hok. Een moment overwoog ik de dierenbescherming te bellen, maar de rest van dit klotendorp draait zich ook mooi om, doodsbenauwd voor weer een nieuw conflict en eerlijk gezegd heb ik daar deze laatste maand ook geen zin meer in. Ik wens ze verder veel succes met de miljoen kippen die hier komen. Ik wil overigens wedden dat in dit huis geen mensen uit het dorp komen wonen. Daar durf ik best een kanarie tussen te zetten. Zelfs wel een levende.

© Lammert Voos

dode-kanarie-600x300

 

Tagebuch 11-5-2017

Gister ben ik met de aannemer en een bouwkundige naar Vierhuizen geweest om een aanvang te maken met de planning van de verbouwing, of beter gezegd: de verbetering. We veranderen eigenlijk niets, we gaan alleen herstellen, schilderen en iets doen aan isolatie en het huis zo energieneutraal mogelijk te maken. Mocht u vooroordelen koesteren over het rijgedrag van een aannemer in een Audi, dan ben ik nu best bereid die te bevestigen. En wat is zo’n dure bak krap zeg. Ik kon niet eens rechtop zitten. Bovendien vond ik de stoel uitgesproken kloten zitten. Nee, doe mij maar een Franse auto, het liefst eentje met wat slappe veren.

Aannemer en bouwkundige waren enthousiast over de plek van ons huisje en ik moet zeggen dat ik zelf ook weer blij verrast was. Er ligt een enorme lap tuin achter het huis, ook nog op het zuiden, en als ik er strak een schutting om heen gezet heb, heb ik met niemand meer wat te maken. Die schutting is uiteraard nodig voor mijn onverdraagzame hond. (Nu ik weer een ironisch grapje maak, moet ik denken aan mijn vorige over dat we dichter bij het noorderlicht zouden gaan wonen. Ik kreeg daar geen enkele reactie op en vraag me nu af of mijn lezers denken dat ik echt zo’n zwever ben.)

Binnen zag ik wel dat we nog flink aan de bak moeten. Echt alles dient opnieuw geschilderd en omdat S en ik nog niet echt uitgevochten hebben wat mijn werkkamer en wat de slaapkamer wordt, zal het eerst wel wat veredeld kamperen worden. Wat maakt het uit? Het huis is van ons, het is onze plek, en we doen wat wij willen. Hoe gekker hoe beter. Hoewel, eigenlijk ben ik best conservatief en gematigd. (Op dat laatste krijg ik geheid wél reacties)

Wederom bleek hoe verschrikkelijk aardig de verkopers zijn, die eveneens de camping tegenover bezitten. Daar gaan ze ook wonen. In hun restaurant trakteerden ze ons op koffie en sterke verhalen. Nee, daar gaan we fijne buren aan hebben.

Vandaag in Welsum ook bezoek, door een aannemer die ingeschakeld was door onze huidige verhuurder. Ik vrees dat ik niet al te vriendelijk was. Nee, ik lieg: ik vrees helemaal niet, en dat kan me ook niets schelen. Ineens heeft men vreselijk haast om deze woning te gaan isoleren. Hoewel wij meerdere malen aangegeven hebben dat wij dat allang graag wilden, hield men steeds de boot af, maar nu kan opmeten enz. echt niet wachten tot wij vertrokken zijn.

Het begon al direct fijn. Het aannemersbusje stopte voor huis en het ouwe secreet hiernaast stormde naar buiten om beslag te leggen op die beste man. Luidkeels beklaagde ze zich over haar woning, onderwijl om zich heen kijkend of iedereen het wel hoorde. Ze heeft sowieso een gouden tijd: er gebeurt bij ons heel veel en er is veel aanloop, dus er valt veel te beroddelen. Daarnaast gluurt ze weer stiekem –echt niet- door de schutting naar wat wij aan het doen zijn. Na een tiental minuten was ik het zat en haalde de aannemer van straat met de mededeling dat ik niet de hele dag de tijd had en zat te wachten. Volgens S ben ik ondanks mijn engelachtige voorkomen nogal intimiderend als ik onvriendelijk ben. De man vond nog dat hij meetwerk moest doen achter een muur die helemaal volgebouwd was met dozen boeken, die volgens hem aan de kant moesten, maar kon dat ineens wel ondanks de boeken na mijn mededeling dat hij dan maar moest terugkomen als we verhuisd zijn.

Volgende week komt er ook nog een of andere Pipo die een energiekeurmerk moet vaststellen. Dat doet hij dus vóór er geïsoleerd wordt en de logica en het nut daarvan ontgaat me volledig. Het zal wel weer een regel zijn. We volgen klakkeloos de regels en wat het kost en of het zinvol is zal iedereen een worst zijn. Ook onze verkoper in Vierhuizen moest een energiekeurmerk regelen, maar niet van ons, want iedere Jan Klaassen kon vaststellen dat de muren geïsoleerd waren en dat nergens dubbel glas zat. Maar thou shallt obey the laws of the land.

Nog maar 44 dagen en we zijn van iedereen af. Mij krijg je niet meer uit onze nieuwe oude huis weg. Ik heb al een plekje gereserveerd op het kerkhof van Vierhuizen, fijn naast een verzopen visser. Ben ik mooi altijd verzekerd van verse haring

© Lammert Voos

 

 

Tagebuch 9-5-2017

Maandagochtend hadden we de voorinspectie door de woningbouwvereniging. Zoals ik al verwacht had werd de tuin het grote discussiepunt, maar mijn Don Quichottedagen zijn voorbij, ik ga geen gevechten meer aan waarvan ik weet dat ik ze toch niet kan winnen. Ik weet allang dat de algemene opinie in Salland is dat alle planten die niet uit een tuincentrum komen met Round Up bestreden dienen te worden. Dit is de streek van grint, coniferen en buxus.

Ik vond het doodzonde van al die planten, dus verzon ik een list. We kunnen niet alles meenemen, want de bodemgesteldheid in Vierhuizen is heel anders, rivierklei is immers niet hetzelfde als zeeklei, en ook de zon draait daar anders, je zit daar veel dichter bij het noorderlicht.

De list is dat ik op FaceBook een berichtje zette dat mensen gratis planten mogen komen halen en nu moet ik zelfs de rem er op zetten, want anders houden we zelf niets over. Mijn zelfgekweekte vlinderstruiken, mijn trots, gaan naar mijn jongste dochter. Verder nemen we de pioenrozen, ridderspoor, astilbe, framboos en lupines mee. Ook mag ik van S niet alle lelietjes van dalen weggeven. Ik heb ook nog het nodige zaad, maar niet meer van judaspenning en prikneus, maar daar loop ik vast nog wel eens tegen aan.

Even weer een medische update: ik heb relatief weinig te zeuren momenteel. Vorige week ben ik bij de reumatologe geweest die goed nieuws had. De laatste opvlamming van de artritis was verklaarbaar door het feit dat het urinezuur enorm verlaagd was, waardoor de tophi aan de wandel waren gegaan. Dat betekent dat ze langzaam maar zeker mijn lichaam verlaten en met een beetje geluk kan ik over een maand of wat weer gewoon lopen en wandelen.

Gistermiddag moest ik naar de huisarts. Behalve een hoge bloeddruk –as usual- ook daar geen problemen. Ik vind die hoge bloeddruk wel verklaarbaar: mijn huisarts is een niet onaantrekkelijke dertiger die met haar manier van doen een vertrouwelijkheid suggereert waar ik heel ongemakkelijk van wordt. Nu ben ik wel vaker vertrouwelijk met aantrekkelijke vrouwen –ik ben er met eentje getrouwd- maar die ken ik ook echt, dus daar word ik niet onzeker van. Bovendien heeft mijn huisarts een doordringende blik en hele koude handen.

Ik hoop dat mijn nieuwe huisarts in Zoutkamp een man met fikse bossen haar uit zijn neus en oren is, die bovendien warme, zweterige handjes heeft, dan komt het met die bloeddruk ook vast wel goed.

© Lammert Voos

unnamed

 

Tagebuch 6-5-2017

Tussen alle oorlogsentertainment van de afgelopen dagen sprong er één documentaire toch wel heel erg uit. Dat was de film ‘Het zijn maar Duitsers’ van Bart Hölscher over de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. Hoewel ik toch aardig wat van geschiedenis weet, wist ik niet dat die bestond. Het openingsshot met de onafzienbare rijen graven was dan ook ronduit verpletterend. Er liggen een kleine 32.000 mensen die op de een of andere manier verbonden waren met het Duitse leger in de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast liggen er nog 85 soldaten die gesneuveld zijn in de Eerste Wereldoorlog.

We volgen een man van middelbare leeftijd, een antifascist, geen zwarte kleding, geen bivakmuts, maar een anonieme middenklasser. Hij verklaart dat wat hem betreft alle graven geruimd mogen worden en de resten over de Duitse grens gemieterd. Voor hem liggen er geen zoons, broers en vaders, voor hem liggen er louter misdadigers. Je vraagt je af wat hij op de begraafplaats komt doen. Zich verlustigen aan leed? Als hij model voor het empatisch vermogen van de antifascisten staat, God bewaar ons dan voor hen.

Dan een shot van een bejaarde man die in de Peel met een zaag een berk te lijf gaat. Hij vertelt hoe zijn vader afgevoerd werd door Duitsers en niet terug kwam. Hij vertelt dat hij wel weet dat die Duitsers ook maar gestuurd werden, maar dat hij sindsdien toch een hekel aan Duitsers heeft.

Nog een vaderloos opgegroeide zoon. Een shot van een andere bejaarde man, een Duitser. Hij laat een plakboek zien met foto’s van zijn vader, een onderofficier bij de Fallschirmjäger, een elite-eenheid van het Duitse leger. Hij vertelt met trots over de verovering van Narvik in Noorwegen, waar zijn vader bij betrokken was. Hij stelt echter nadrukkelijk dat zijn vader geen Nazi was. Het is een ongemakkelijke scène.

Een oude man uit voormalig Oost-Duitsland vertelt. Op zestienjarige leeftijd werd hij opgeroepen voor dienst in de SS. Hij dacht aanvankelijk dat dit een gewoon leger was. Als jongen werd hij voor de leeuwen geworpen bij de invasie in Normandië door de geallieerden. Hij werd ingedeeld bij een veldlazaret. Hij vertelt over mensen die er uitzagen als stompen vlees zonder ledematen. Hij heeft het er zichtbaar moeilijk mee.

Dan weer de zoon van de onderofficier. Hij heeft alles over zijn vader verteld aan zijn kleindochter, die in een archief op zoek gaat  naar haar overgrootvader. Je merkt haar fascinatie, maar ook haar schaamte. Ze zegt dat ze op haar werk zelf erg autoritair is en dat een ondergeschikte haar ooit de Hitlergroet bracht. Hij had geen idee wat hij deed, is haar commentaar.

De bejaarde man van de Peel en zijn vrouw zitten aan de keukentafel. De vrouw vertelt dat toen de muur viel de burgermeester hen vroeg of er een dame uit Oost-Duitsland bij hen mocht logeren. Haar broer lag op het kerkhof. Als zestienjarige was die broer bij zijn ouders vertrokken en twee dagen later was hij dood. De bejaarde man wordt gevraagd of hij daar geen moeite mee had. Als iemand hulp nodig heeft, dan help je die, dat doe je gewoon, antwoord hij.

De destijds zestienjarige SS’er vertelt hoe een eveneens zestienjarige kameraad hem ongewild het leven redde tijdens de slag om Arnhem. Ze lagen samen in een schuttersputje en zijn kameraad lag half over hem heen en ving zo alle granaatscherven op. De kameraad overleefde het niet. Of de oude man nog naar het kerkhof wil? Hij durft niet goed. Het zijn er zo veel.

De kleindochter bezoekt het graf van haar overgrootvader. Ze schaamt zich nog steeds. De oud SS’er strompelt toch het kerkhof op. Wahnsinn, mompelt hij. Hij huilt geluidloos. We zien de oude man van de Peel terug. Samen met zijn vrouw zet hij bloemen op het graf van het broertje van zijn toenmalige logé. Ze hebben beloofd regelmatig naar het graf te komen en er voor te zorgen. Waanzin, mompelt ook hij. Hij vertelt dat zijn logé een dag bij het graf van haar broertje heeft gestaan. Hij is duidelijk geraakt.

De bejaarde man is indrukwekkend in al zijn eenvoud. Hij overstijgt zijn eigen slachtofferschap. De oud SS’er is vooral aandoenlijk. Zijn leven is al vroeg verwoest, maar hij beklaagt zich daar niet over. Ook voor de kleindochter en haar opa kan ik sympathie opbrengen. Opa is altijd het in de steek gelaten kind gebleven en kleindochter probeert hem te begrijpen. De antifascist is ronduit eng. Hij vertelt besmuikt lachend dat hij van zijn vriendin alleen op zondag over de oorlog, die hij helemaal niet meegemaakt heeft, mag praten. Hij lijkt daar trots op te zijn.

Nergens in de film wordt commentaar gegeven. De beelden en de hoofdpersonen vertellen het verhaal. Show, but don’t tell. Er wordt genadeloos vastgelegd hoe daderschap en slachtofferschap door elkaar lopen en dat stemt tot nadenken. Ik zal deze film dan ook niet snel vergeten. En die eindeloze rijen kruizen al helemaal niet.

©Lammert Voos

maxresdefault

To The Warmongers

“I’m back again from hell
With loathsome thoughts to sell;
secrets of death to tell;
And horrors from the abyss.

Young faces bleared with blood
sucked down into the mud,
You shall hear things like this,
Till the tormented slain

Crawl round and once again,
With limbs that twist awry
Moan out their brutish pain,
As the fighters pass them by.

For you our battles shine
With triumph half-divine;
And the glory of the dead
Kindles in each proud eye.

But a curse is on my head,
That shall not be unsaid,
And the wounds in my heart are red,
For I have watched them die.”

Siegfried Sassoon, 1917
article-2595837-1CC431B400000578-926_634x459