Canisius (fragment)

April is niet de wreedste maand, integendeel. In april stopten de clusterhoofdpijnaanvallen.  In april dronk ik het allerlaatste glas van mijn leven. Ik kwam mijn grote liefde in april tegen die nota bene een hond had, en toen we trouwden namen we er nog een. Mijn verhaal Leeuwenhart werd in een tijdschrift gepubliceerd. Ook in april.

Dat verhaal was gebaseerd op het leven van oom Petrus. Er was een vage kopie opgedoken van een interview met hem met een Belgisch tijdschrift. Hij had verteld dat hij dompteur geweest was in het Russisch Staatscircus en dat hij zijn arm verloren had door een aanval van zijn favoriete leeuw. De werkelijkheid was iets minder prozaïsch: hij was oppasser geweest in een klein circus, dronken geweest en had geprobeerd een leeuw te aaien.

49984326

Ik probeerde meer over hem te weten komen, maar mijn familie bleef schemerachtig. Hij zou in Antwerpen bij een hoerenmadam wonen, net als Zwarte Jan in de stad, hij had gevaren, was in Polen geweest in de oorlog en dat was het dan wel. Op internet was er buiten zijn geboorteakte niets over hem te vinden. Ik wist dat hij bestond of bestaan had, had hem een paar keer ontmoet, maar hij leek van de aardbodem verdwenen. Mijn moeder beweerde niet te weten waar hij gebleven was. Ik hield wel van een beetje fabuleren, was er zelf niet vies van, en zijn verhaal intrigeerde me in hoge mate.

Na veel zeuren bij mijn moeder kwam ik erachter dat hij in een kamp van collaborateurs had gezeten na de oorlog, maar dat hij was gerehabiliteerd omdat hij niet vrijwillig in buitenlandse krijgsdienst was geweest.

Schlemiel is een woord van Jiddische oorsprong en dat woord leek uitstekend van toepassing op deze nazaat van de joodse vleeshouwer Izaäk Abrahams Enema die zich in een nazi-uniform had laten hijsen. Ik oordeelde misschien hard, maar ik vond het wrang. En dan was er in de oorlog nog iets met zijn vriendin wat in eerste instantie onduidelijk bleef.

Ik vermoedde dat er een hoop schaamte bij de familie leefde en dat het verblijf in het kamp voor collaborateurs aan oom Petrus was blijven kleven. Dat was nogal hypocriet.  Zwarte Jan was inmiddels lieve ouwe Ome Jan geworden en dat was pas echt een misdadiger geweest en een pooier bovendien.

Ik bleef zoeken, maar vond niets, dus ik verzon zelf een geschiedenis van oom Petrus gebaseerd op de dingen die ik dan wel wist. Ik speelde ermee, irriteerde mijn familie daar mateloos mee en vond dat leuk. Ik had een enorme hekel aan de slavenmentaliteit en het slachtofferschap van mijn ouders. Ze bleven maar passief agressief zeuren over die slechte herenboeren die hen zo uitgebuit hadden. Ze hadden dat serviel ondergaan en waren nooit actief in verweer gekomen. Mijn vader was ondertussen ambtenaar geworden en mijn ouders waren absoluut niet arm meer, maar van enige solidariteit met minderbedeelden was geen enkele sprake. Mijn ouders keken neer op alles en iedereen die van hun normen afweek. En in die zin waren ze precies zoals de boeren waar ze zo’n hekel aan hadden: provinciaals, kleingeestig, dom, eng en gierig. Wat was er leuker dan verhalen en gedichten te verzinnen die als voertuigen voor mijn  misantropie dienden. Ik had er nog succes mee ook.

© Lammert Voos

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s