Zondagskind (reprise)

 Als ik een kleine vijftig jaar later mijn kinderfoto’s bekijk zie ik echter geen angstig en beschadigd kind. Volgens mij zie ik veel meer een enorm nieuwsgierig ventje. Ik weet nog dat ik met leesvaardigheid ver vooruit liep op mijn leeftijdgenoten. Wat betreft de rest niet. Ik schrijf nog steeds slordig en van rekenen raak ik geïrriteerd. Ik heb daar het geduld gewoon niet voor.

Het geheugen is een wanordelijke bende. Hersenschuddingen, alcohol, drugs, slaapgebrek, depressie, allemaal zaken die een stem in het kapittel hebben. Een groot deel van zijn leven wentelt zijn mens zich in zijn slachtofferschap, zich er geen rekenschap van gevend dat een slachtoffer net zo goed zelf vaak dader is.

Iedereen is kind geweest, zich niet bewust van wat wij goed en kwaad noemen. Een lastig, ongrijpbaar kind. Vaak in mezelf gekeerd, regelmatig zoek omdat ik weer eens ergens op verkenningstocht was en een dagdromer. Dat paste niet goed in het milieu waarin ik opgroeide. Er was geen tijd voor dromen, niet door de week in ieder geval, dan moest er gewerkt worden.

Als bij zoveel gezinnen uit die tijd viel ons gezin heftig uit elkaar. Ik zal niet zeggen dat mijn moeder feministe was, maar het feit dat vrouwen eind jaren zeventig meer en meer voor hun rechten opkwamen zal toch van invloed zijn geweest op haar beslissing. Bovendien was het huwelijk niet gebaseerd op liefde, maar op economische noodzaak. Er waren veel spanningen en het was niet fijn voor de kinderen.

Toch kwam de scheiding voor ons alle vier als klap en ieder van ons ging daar op zijn eigen manier mee om. Ik was de jongste, toch al wat vreemd en het was het duwtje dat ik nodig had om volledig te ontsporen. Ik ben een meester-leugenaar en manipulator geworden en het heeft heel wat uurtjes therapie gekost om dat weer af te leren. Daarnaast lijk ik meer op mijn pa dan me lief is. Ik hoef geen DNA-test te doen om te zien waar ik vandaan kom. Ik kom uit het Noorden of Noordwest-Europa, want lijd aan de Furor Teutonicus. Net als mijn pa vroeger. De Romeinen omschreven dit al als een verpletterende en blinde woede die niet te beteugelen valt.

Nu ik ouder word en het testosteron afneemt heb ik er niet zoveel last meer van, maar in mijn tienerjaren veranderde ik van dat verlegen en kwetsbare jochie in een ontoombaar monster van een meter negentig en honderd kilo en ik was boos, heel boos. Het is best een wonder dat er geen grotere ongelukken zijn gebeurd.

Ik tel mijn zegeningen.

 

© Lammert Voos

Advertenties

Zondagskind (slot)

 V

Mijn twee oudere zusters waren het huis uit getrouwd. Bij de trouwerij van de oudste had ik gehuild.  Wie zou me nu gaan voorlezen en cadeautjes voor me kopen? Bij de tweede trouwerij werd ik me ervan bewust dat mijn bed nu weer exclusief van mezelf zou zijn. Bleef  voordien een verloofde logeren, dan mocht die van ma niet op de kamer van mijn zuster komen. De verloofde in kwestie diende in mijn bed te slapen en ikzelf moest aanschuiven bij mijn broer.

Het was gewoonte dat tijdens de feestdagen mijn zusters met hun echtgenoten een aantal dagen naar huis kwamen. Het viertal sliep dan op luchtbedden op zolder. ’s Nachts hoorde ik veel gegiebel van boven komen en soms hoorde ik het polyester kraken als iemand zich omdraaide.

Dagen later hoorde ik pa met een vreemde stem praten over partnerruil. Ik wist niet wat dat was en zocht het op in een woordenboek. Ik wist zeker dat pa het niet over mijn oudere zusters had gehad. Dat kon niet. Zoiets kon je toch niet over je eigen dochters denken?  Ik lag er wakker van.

 VI

Ik wierp de lijn met daaraan dobber, lood en haak in het woelige water van het kanaal. Manhaftig hield ik me vast aan de lange bamboestok. De dobber deinde op de golven. Het brood was vast al van het haakje, bedacht ik, maar dat gaf niet.

Ik wilde geen wormen gebruiken, daar moest ik van kokhalzen sinds een jongen op school me gedwongen had er eentje op te eten. Sla hem dan ook op zijn bek, had pa me toegebeten toen ik huilend thuisgekomen was.  Er had zich voorgoed een bittere brok zelfmedelijden in mijn keel genesteld.

Met wormen ving je bovendien palingen. Ik wilde geen paling vangen, want palingen waren slijmerig en kronkelden rond het snoer en ik kreeg ze nooit los. Ik wilde ook geen schele pos of baars vangen, die slikten het haakje door en als je er dan aan trok nam je alle ingewanden mee. Dat vond ik vies en zielig.

Er kwam een man in een flodderige regenjas achter me staan. Hij had een teckel met overgewicht bij zich, een soort worst op pootjes die amechtig hijgend aan zijn voeten neerzeeg.

Ze bijten zeker niet erg? vroeg hij. Soms had die man een schurftige poedel bij zich en droeg een corduroy colbertje met elleboogstukken. De poedel drentelde zenuwachtig rond zijn benen.

De man was ook wel eens wat gegroeid. Dan droeg hij een legerjas en had een grote Duitse herder bij zich. De hond ging rustig naast hem zitten en de man begon aanwijzingen te geven. Je moest de dobber zus en de loodjes zo en dan…Hij wist zeker niet dat het brood allang van het haakje geweekt was.

Ik zat naar de golven te kijken en liet me opzettelijk verblinden door het licht daarin. Iedere dag weer, als het tenminste niet regende, dan werd ik nat.

© Lammert Voos

Zondagskind 4

 IV

Wanneer pa Het Vrije Volk zat te lezen was het zaak voor mij om zo weinig mogelijk geluid te maken. Pa scheurde zelf gaten in de stilte zodra hij een bladzijde omsloeg. De krant bleef op zijn schoot rusten als hij naar het nieuws op de televisie keek. Daar wenste pa eveneens niet bij gestoord te worden. Het kwam slechts eenmaal voor dat pa zelf in stilte, zonder mopperen, het nieuws bekeek. Ma stond achter zijn stoel mee te kijken, met in haar hand een bord waar ze net zo lang overheen bleef wrijven met haar theedoek tot die begon te piepen.

Op het televisiescherm probeerden Aziatisch uitziende mensen over een hek te klimmen. Helikopters stegen op vanaf het dak van een gebouw. Er hingen mensen aan de glijders. Ze vielen er een voor een af, terug in de menigte. De helikopters landden even later op een vliegdekschip. Na het uitstappen van de passagiers werden de lege helikopters in de zee geduwd.

Ma keerde terug naar de afwas en pa schakelde de televisie uit. Hij begroef zich weer in de krant. Ik keerde terug naar mijn plekje bovenaan de trap. Ik dacht na over wat ik zojuist gezien had. De logica daarvan ontging me.

Ik hoorde mijn vader in de huiskamer andermaal een bladzijde omslaan. Nog geen minuut daarna gleed de krant ruisend op de vloer en begon pa luid te snurken.

© Lammert Voos

 

 

 

 

 

 

 

 

Zondagskind 2 & 3

 II

Vanuit mijn slaapkamerraam keek ik uit op een breed kanaal dat de kriskrassende groene weilanden doorsneed. Lompe zwartstalen rompen doorsneden het loden water. Nadat een tanker gepasseerd was schreef ik de naam Dorothea in een schriftje met daarachter de plaatsnaam Vlaardingen. Dat lag in de buurt van Rotterdam dacht ik. Ik dacht aan de havens. Aan de zee. Aan zilte lucht. Aan schreeuwende meeuwen. Ik droomde van stoere zeelui.

Ma had verteld dat pake een schipperszoon was, dus ik een schippersachterkleinzoon, maar ik herinnerde me pake als een gebroken man die de resten van zijn longen in een blikje spoog. Pake had stoflongen van het werk op de dorsmachine.  Pake had negen keer een hartaanval gehad, vertelde ma niet zonder een zweem van trots, maar een tiende zou er niet komen.

 III

Pa had een volière vol vogeltjes. Eerst gingen de zebravinkjes dood, later de kanaries en tenslotte de kwartels. Pa brak de zelfgetimmerde volière zuchtend af. Pa hield ook konijnen. Op een dag zaten die apathisch in hun hok. Etter druppelde uit hun ogen. Pa stond er tien minuten besluiteloos naar te kijken en belde toen de veearts. Na het gesprek met de veearts ging hij de hokken bij langs en draaide de konijnen de nek om. Hij maakte geen enkel geluid. Tranen liepen over zijn wangen.

Pa verzette zich lang tegen de aanschaf van een hond. Hij was er van overtuigd dat hij voor de verzorging van die hond zou opdraaien en dat wilde hij niet. Bovendien zou hij de hond niet kunnen uitlaten omdat hij slecht ter been was. Hij had het steeds over de consequenties van een hond. Broerlief bleef echter zeuren en bezwoer pa dat die er niet voor zou opdraaien.

Toen de hond, een bouvier, was aangeschaft was broerlief aanvankelijk druk in de weer met het beest. Tot de voetbalcompetitie weer begon. En hoewel pa koppig volhield niets met de hond van doen te willen hebben hield hij, als hij dacht dat niemand het hoorde, lange monologen tegen het dier. Maar als er anderen in de buurt waren deed hij net of hij het beest negeerde.

Regelmatig, als ik weer eens met de hond door de regen sjokte, dacht ik  bitter aan pa’s woorden: de consequenties van een hond.

© Lammert Voos

 

 

Zondagskind

 I

Ik zat bovenaan de trap te luisteren naar de geluiden uit de woonkamer. Mijn uniform bestond deze dag uit een bordeauxrode sweater, een wit overhemd en een grijze terlenka broek. Ma had de scheiding in mijn haar aan de rechterkant getrokken, zodat mijn blonde kuiflok naar rechts hing. Ik vroeg me af hoe het zou zijn als ik me van de trap zou laten vallen. Zouden ze wel huilen als ik mijn nek brak?

Pa en ma waren nog gezellig aan de koffie met de buren. De kerkklok sloeg elf uur en aanstonds zouden ze gaan klaverjassen. Ik trok me verder terug de overloop op, pa zou zo de flessen jenever, bessen en sherry uit de kelderkast komen halen. De sigarettenrook zou naar boven kringelen en me zelfs hier boven bereiken. Pa zou zich ergeren aan ma’s geflirt met de buurman, maar dat niet laten merken. Ma zou schriller dan normaal lachen en de groentesoep alvast opzetten.

Broerlief was aan het voetballen bij de A-junioren en moest op tijd eten om vanmiddag bij het eerste te kunnen kijken. Hij zou de tas met vuile voetbalplunje met een doffe plof in de bijkeuken op de betonnen vloer laten vallen. Hij zou nauwelijks groeten, de soep razendsnel naar binnen lepelen en dan weer vertrekken. Ma zou me roepen om de hond uit te laten en ik zou protesteren dat de hond van broerlief was en ma zou dat met een ongeduldig handgebaar wegwuiven.

Ik zou door de verlaten straten slenteren, de onwillige hond achter me aanslepend. De schrale herfstwind zou de bruinrode bladeren voor mijn voeten wegblazen en mijn oren rood laten kleuren en doen schrijnen. De hond zou precies gaan zitten poepen voor een oprit en ik zou de bruine worst gewoon laten liggen. Misschien zou ik zelf in de worst van gister gaan staan en dan kokhalzend met een stokje de smurrie uit het profiel van mijn schoenen moeten peuteren.

Mijn moeder zou me een bord vieze soep met veel te veel vermicelli en te weinig gehaktballetjes voorzetten en op me mopperen als ik slurpte of knoeide. De buurvrouw zou al weg zijn en pa zou de buurman nog een borreltje inschenken. Pa mét en buurman zonder suiker. Pa’s lepeltje zou tegen het glaasje tikken als hij veel te lang roerde. Ma zou met een sigaret tussen haar vingers zwijgend toekijken. Ze had haar benen over elkaar geslagen en zat eerst stil. Maar haar bovenste voet zou steeds sneller op en neer gaan bewegen. Ze zou gehaast aan de sigaret trekken en de rook recht naar boven blazen.

Wankelend zou de buurman vertrekken. Hij zou een zijstap maken en zich moeten vasthouden aan de deurpost. Pa zou hem uitlachen. Ma zou alvast het glaswerk afwassen. Ze zou een sherryglas breken. Pa zou daarover mopperen. Pa zou ook mopperen over de buren, minstens een uur lang. Daarna zou hij nog mopperen over zijn werk en tenslotte zou hij ma verwijten maken. Ma zou het zwijgend aanhoren. De kerkklok zou vijf uur slaan en ma zou me nog een keer met die rothond op pad sturen.

Ik zou een boterham met pindakaas eten en daarna eentje met hagelslag. Pa zou op de bank gaan liggen snurken. Hij zou eerst klagen over die eeuwige hoofdpijn en twee saridons nemen. Mijn broer zou thuiskomen en de televisie aanzetten. Ik zou Thierry de Slingeraar of Ivanhoe willen zien, maar mijn broer zou onverbiddelijk overschakelen naar Sport in Beeld om voetbal te kijken. Pa zou zijn achterwerk optillen, een wind laten en zijn rug naar ons toe draaien en gewoon verder snurken. Ma zou het bovenraampje opendraaien en broerlief zou de televisie iets harder zetten.

En morgen zou het gewoon weer maandag zijn.

© Lammert Voos

Tagebuch 27-12-2017 (slot)

Toen S me er op wees dat ik met mijn klaagzangen in herhaling dreig te vervallen wist ik dat het tijd was om te stoppen met dit Tagebuch. De luiken gaan dicht, u mag niet meer meekijken. Ik wil mijn energie steken in het verder verbouwen van ons huis en weer structureel gaan schrijven, zoals ik jaren deed, iedere ochtend.

Ik wil eerst de novelle Malterfoske af maken en daarna de roman Canisius. Ik kom er al herlezend achter dat die twee werken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, het gaat eigenlijk om dezelfde families. Uiteraard zijn die verhalen fictief, laat ik dat duidelijk uitspreken, want voor je het weet zijn er collega’s die vinden dat je onderzocht moet worden door justitie, ik ben namelijk ook naïef en niet erg handig met de media.

Ik zal heus nog weleens werk op mijn blog plaatsen, maar dan worden het gedichten of korte verhalen. Wellicht dat ik die ooit nog bundel, maar vooralsnog heb ik niet genoeg goed werk.

Toen ik dit blog begon koos ik voor de titel De Waterwolf omdat ik dacht dat we een huis zouden kopen met uitzicht op het gelijknamige gemaal bij Electra, een van die vele magische plekken in het Groningse landschap. Het is allemaal anders gelopen. Ik woon nu vlakbij het Lauwersmeer en kom ook weer geregeld in Friesland en ik voel me daar eigenlijk heel goed bij. Ik beweeg me ook tamelijk gemakkelijk tussen de mensen in dit grensgebied, hoewel ik me net iets meer Groninger voel.

Ik heb iets met het Westerkwartier van Groningen en de Friese Wouden. De mensen zijn net even anders als elders. Rauwer, ongepolijster en met een licht anarchistische inslag. Mijn opa Lammert kwam immers ook uit die Friese streek en dat verklaart wellicht waarom ik me daar zo thuis voel. Nuver folk en nuver volk tegelijk. Je schrijft het hetzelfde, maar de betekenis is compleet tegengesteld.

Ik sluit dus de luiken, als ik ze weer open hoop ik een boek af te hebben.

 ©Lammert Voos

4f0df33bda45f17b9f556c1cebe243fa9fe3c90d

Tagebuch 25-12-2017

Eerste kerstdag 2017, ik ben 55 jaar oud en ik kom er eindelijk achter waarom ik zo’n weerzin heb tegen december. Het komt omdat ik niet kan ontsnappen, het is overal, en ik associeer het niet met gezellig en leuk, maar met een klem waar ik nooit meer uit kan komen. Ik geef toe dat ik zelfmedelijden heb, maar ik vind dat ik die best verdiend heb.

Ik kom uit een gezin waar altijd spanning heerste en ik ben altijd al een gevoelig mannetje geweest, dus ik had daar behoorlijk last van. Toen ik de pubertijd naderde was ik fysiek ook al een beer, maar qua geest nog steeds een angstige kleuter die bedelde en hunkerde naar goedkeuring. Men zegt weleens dat ik een mopperpot ben en dat is ook zo, maar ik ben een duizend keer verdunde versie van mijn vader. Ook mijn moeder was geen wonder van warmte en positieve aandacht. Hun achtergrond in gedachte houdend, snap ik dat wel, maar dat neemt niet weg dat ik er behoorlijk onder leed.

Het huwelijk van mijn ouders was toch al nooit gezegend, maar toen ik veertien, vijftien jaar was werd het pas echt heel vervelend. Mijn zusters waren reeds getrouwd en mijn broer woonde zo’n beetje bij de voetbalvereniging en in de kroeg, dus was ik de enige buffer tussen hen, het alibi voor de leugens, aanleiding voor ruzies en ga zo maar door. Het dieptepunt daarin was dat ik in een handgemeen verwikkeld raakte met mijn vader en het was dan ook onvermijdelijk dat mijn moeder vluchtte. En ik bleef achter.

Wie dacht dat het daardoor rustiger voor me werd komt bedrogen uit. Mijn broer maakte ook dat hij weg kwam, vond een eigen huis, maar het was voor pa wel gemakkelijk dat ik in het ouderlijk huis bleef, dan had hij namelijk een officieel eigen adres en kon zijn nieuwe vriendin haar uitkering behouden. Ik zat totaal klem, zoals ik de jaren daarvoor ook al klem gezeten had. Ik ging bijkans ten onder aan drank en drugs, de enige ontsnapping die ik kon verzinnen en bleef jaren in die klem zitten.

Toen ik een eigen woning vond doemde er een nieuw probleem op bij verjaardagen en feestdagen: er diende met iedereen rekening gehouden te worden. Er mocht niemand gekwetst worden in de gewapende vrede die er tussen mijn ouders heerste, maar er werd me toch wel te verstaan gegeven dat de ene wel gekwetst zou zijn als ik bij de andere…Ma manipuleerde, pa was openlijk de hufter die hij altijd al was geweest. Ik moest en zou altijd kiezen, zelfs toen ik zelf al vader was.

Zowel van mijn vader als van mijn moeder moest ik de bagger aanhoren die de een over de ander uitstortte en bij feestdagen zaten ze nu gezellig gezamenlijk aan de dis, samen met hun nieuwe echtgenoten. Wie besloten had dat dit zo moest kunnen, als beschaafde mensen zogenaamd, ik weet het niet, maar zo gebeurde het, met dagen daarna nog alle telefoontjes over wat iedereen verkeerd had gedaan.

Familiepatronen, hoe ontkom je daaraan? De eerste stap was de dood van mijn vader. Maar meneer presteerde het om buiten iedereen om een liedje bij zijn uitvaartdienst te laten draaien dat mijn moeder tot op het diepste van haar ziel kwetste. Je wilt als kind graag met enige trots op je vader terugkijken, maar dat heeft hij zelf voorgoed onmogelijk gemaakt. En je kunt het niet terugdraaien. Het was al geen fraai verhaal, maar nu is het om te kotsen. Al die rancune.

Mijn moeder was al beschadigd, maar dit is ze nooit te boven gekomen. De telefoontjes over de slechtheid van mijn vader werden nog erger en ze kon niet stoppen. Ik begrijp dat. Maar…ik kon het zelf niet meer aan. Al die conflicten en rancune, ik kan het niet meer aan, ik wil het niet meer. Toch ontkom ik er nooit helemaal aan. Het gaat niet goed met mijn moeder, ik maak me zorgen om haar, maar ik ben niet sterk genoeg voor hernieuwd contact.

En zo blijf je dus eeuwig in die klem van het loyaliteitsconflict zitten en ik wil weg, ontsnappen. Ontsnappen aan die tijd dat er gesuggereerd wordt dat een gezin een gelukkig gebeuren is. Ontsnappen aan dit gevoel dat ik iets moet wat ik niet meer kan: namelijk verplicht gezellig doen. Ik doe mijn best, maar het schrijnt.

Ik ga zo eerst maar eens de wc schoonmaken. Lijkt me een fijne kerstgedachte.

©Lammert Voos

santaarrestedsdfsdfsdfsd

Tagebuch 23-12-2017

Heftig weekje. Het begon met de straatgenoot die een einde aan zijn leven maakte. Het gaat ons eigenlijk niet aan, we kenden hem nauwelijks, maar toch raakt het je. Iedere keer als ik met onze honden langs zijn huis loop denk ik aan hem, staren die duistere ramen je beschuldigend aan.

Woensdag gaf ik workshops creatief schrijven op een middelbare school te Leeuwarden. Dit op uitnodiging van neef J die er les geeft. Neef J is mijn oudste vriend. Dit in de zin dat we elkaar al bijna 56 jaar kennen en ook al zolang bevriend zijn. Hij was dit jaar ernstig ziek, heeft het zwaar gehad, maar gelukkig gaat het nu weer goed met hem.

Mijn zenuwen openbaarden zich in de vorm van heftige hoofdpijn op maandag en dinsdag. Heel vaak liggen mijn emoties onder de oppervlakte, kan ik er niet echt bij, maar mijn lichaam reageert dan wel hevig. Die zenuwen waren ook niet zo gek, want het is lang geleden dat ik een workshop op een school gaf. Meestal ging dat wel goed, maar ik kan me ook een keer op een school in Meppel herinneren waar werkelijk helemaal niets gebeurde, de kinderen bleven me schaapachtig aanstaren en leken te denken dat ik van de planeet Pluto kwam. Dat klopt niet, ik kom immers van Betelgeuze.

Maar ik Leeuwarden ging het meer dan perfect. De kinderen waren gemotiveerd en de resultaten van hun schrijfwerk was verbluffend goed. Ik weet nooit precies wat ik dan goed doe, want ik werk heel instinctief, zoals met alles. Bij mijn laatste workshop zat dichteres Albertina Soepboer, die ook docent op de school is en ook zij was vol lof. Daar groei ik van, dat geeft zelfvertrouwen. De grootste inspanning zat die dag in de autorit heen en terug, want het was donders mistig.

De dag erna droeg ik voor bij Club Proza in de Kroeg van Klaas te Groningen. Op de heenweg ook dichte mist, zodat ik er al tamelijk vermoeid aankwam. Maar ook hier niets dan positieve zaken. Mooie voordrachten en ikzelf schoot geen bokken. Op de terugweg was de mist nog dichter en was het rijden weer hard werken.

Vrijdag was ik natuurlijk gesloopt. De bijwerking van mijn dure medicijnen is sowieso al vermoeidheid, maar ik was lichamelijk ook vermoeid door het staan en mijn welgevormde, edoch niet al te degelijk gebouwde benen protesteerden hevig. Daarom ging ik niet met S mee boodschappen doen en zou een dagje bankhangen. Ze was kwalijk tien minuten weg toen ze al belde: dat ene lampje van de auto brandde weer. Dat lampje dat aangeeft dat er remolie lekt of dat die vervuild is en dat de auto dus niet goed meer remt. We hadden dat al eerder laten repareren, maar kennelijk is het euvel niet anders te maken dan de hele zaak op de kop te zetten en dat kost dan minimaal zevenhonderd euri’s. Die we ‘even’ niet hebben, want alles zit in de verbouwing en er komt pas over een dikke maand weer het nodige binnen in de vorm van subsidies op onze milieumaatregelen.

Stress! Helemaal toen ik me realiseerde dat als een dag eerder…in de mist…deze gorilla zomaar had kunnen sneuvelen. Tamelijk geagiteerd zochten we samen naar een oplossing. Intussen werd ons door een vriendin aangeboden dat we haar auto mochten lenen, een andere bood ons geld te leen. Dat was mooi. Hartverwarmend. Ik herinnerde me echter dat neef J er nog een auto staan had waar hij vanaf wilde, dus ik belde hem. De deal was snel gesloten. Nu ben ik bezig onze oude bolide te slijten aan een opkoper. Ik ben doodmoe: zat zowaar zonet al rechtop te snurken.

Maar laten we alles positief bekijken: J brengt de auto na de kerstdagen en ik heb een heel valide excuus om de komende dagen nergens naartoe te hoeven en lekker op mijn krent te blijven zitten.

© Lammert Voos

IMG_20171223_102733

Tagebuch 19-12-2017

Het nadeel van mijn gedachten delen op een blog is dat ik lang niet alles vertel wat me bezighoudt. Er zitten grenzen aan wat ik in de openbaarheid wil gooien. Exhibitionisme bestaat in soorten en maten: je mag best mijn piemel zien, maar niet mijn ziel.

Onlangs plaatste ik op FaceBook een aantal oude familiefoto’s met daarop mijn reeds lang overleden grootouders en ooms en tantes. Een achternicht die zich bezig houdt met genealogie vond het nodig om overal geboorte en sterfdatums bij te zetten. Ik heb dat weer weggehaald. Die bijzonderheden zijn privé, eigendom van de directe nazaten, zoals mijn neven en nichten, maar het is niet aan een ander om die bijzonderheden te delen op het internet.

Ik heb de achternicht ontvriend en geblokkeerd. Het was niet voor het eerst dat zij grenzen schond. Ik vind het niet prettig als mensen in mijn leven proberen in te breken en er zo kien op zijn en alles wat ze over me denken te weten op het net mieteren.

Het is dan ook met enige schroom dat ik nu ga schrijven over een man hier in de straat. Het was een aardige man, maar wel iemand met veel problemen. Hij had veel problemen met zijn omgeving, hij kon slecht tegen geluid en verkeerde in een constante staat van overprikkeldheid. Ik herken dat wel, ik slaap immers ook met oordoppen om geluid buiten te sluiten. De man was uit de Randstad gevlucht vanwege het lawaai, maar het is een misvatting om te veronderstellen dat het hier stil is.

Er dendert geregeld zwaar landbouwverkeer door het dorp en dat hoort er gewoon bij. Er blaffen honden, er kraaien hanen, maar dat zijn van die dingen die ik zelf niet eens meer hoor. Er wordt hier en daar met hout gestookt en dat stinkt inderdaad. Maar als je al die zaken persoonlijk op gaat vatten heb je geen leven meer. En dat was nou precies wat onze straatgenoot deed.

Hij is gister dood in een stoel gevonden. Waarschijnlijk heeft hij zelf een einde aan zijn leven gemaakt. Ik voel iets, maar weet niet precies wat. Ik weet ook niet wat ik moet denken. Is er sprake van zie wat jullie me aandoen, zoals een vriend van me deed die zich jaren geleden ophing? Of is het die zware decembermaand? Al die opgelegde gezelligheid waar niet iedereen aan mee kan doen?

Het is in ieder geval triest en eenzaam en het raakt me, ik krijg er koppijn van. Ik voel me ook schuldig, want hield de man bewust op enige afstand. Zijn leed was als een zuigende draaikolk waar ik niet in meegetrokken wilde worden. Daar ben ik simpelweg niet tegen bestand. Het is niet mijn leed en toch deel ik het hier, dan denkt er nog iemand aan hem, neig ik te denken. Maar dat is onzin, want u kende hem niet. Ik ook niet, en dat is eigenlijk nog het ergste.

© Lammert Voos

Namiddag in de Marne

 

Tagebuch 12-12-2017

Goed beschouwd heb ik momenteel weinig te klagen. De nieuwe kozijnen en ramen zitten er in, dus ik kan achter mijn bureau zitten zonder dat mijn oren me bijkans van de kop waaien. Met mijn gezondheid gaat het beter dan in jaren, er liggen leuke dingen in het verschiet, ik lijd geen armoede en voor zover ik weet zijn er geen mensen met een noemenswaardige hekel aan mij. Bovendien, als die er wel zijn, zal het me aan mijn welgevormde reet roesten.

Toch ben ik kribbiger dan normaal. Hoewel. Ik ben altijd kribbig in december. Ik heb niet zozeer een hekel aan de feestdagen als wel aan het gezeik er omheen. De spontane gezelligheid kan niet meer plaatsvinden zonder dat de agenda’s op elkaar afgestemd zijn. De spontane gezelligheid kan niet meer plaatsvinden zonder bloedbaden in abattoirs  en bij poeliers. De gulzigheid en hebzucht kent deze maand geen grenzen.

Daarbij wordt er in reclames een beeld geschetst van een land dat alleen gelukkig kan zijn als men als one happy family gezamenlijk aan de maaltijd zit. Ja, het gezin als hoeksteen, als veilig anker, als de natte droom van Buma en ander christentuig.  Voor het gemak wordt er vergeten dat er hele volksstammen niet aan dit fijne feest kunnen meedoen. Ze komen uit het verkeerde land, hebben de verkeerde religie, geen familie of vrienden, geen geld, zijn ziek of hebben onlangs iemand verloren. December is niet alleen een feestmaand, maar ook een maand van eenzaamheid en verdriet.

Bij mij ging het al mis toen ik een jaar of zes was en we in Marum woonden. Hoewel mijn vader kon vloeken als een dragonder, vond mijn moeder dat ik naar de zondagschool moest. Zondag was een saaie rotdag, maar nu werd het nog rottiger, nu ik de hele ochtend moest luisteren naar een of ander bevlogen jong mens dat zijig leuterde over Jezus en Onze Lieve Heer. Dat die laatste die eerst had geofferd begreep ik wel, want mijn pa verklaarde ook geregeld dat wij de nagels aan zijn doodskist waren.

Afijn, ik moest dus kerst vieren met de zondagschool in de kerk en daar stond een gigantische opgetuigde kerstboom met tientallen kaarsjes erin. Bij het tweede lied ging de hele zaak in de hens en vluchtte men in dolle paniek de kerk uit, waarbij de volwassenen nog net niet de kinderen vertrapten. Daarna hoefde ik van pa niet meer naar de zondagschool.

Nog steeds vind ik het kerstbomen verbranden bij de jaarwisseling het enige leuke van december.

© Lammert Voos

kerstboom